Posts tonen met het label Jezus Christus. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Jezus Christus. Alle posts tonen

donderdag 30 mei 2019

Hemelvaartsdag als de dood van de ziel - Tweede aankondiging van de voorlezing op 2 juni over de Pinkstergebeurtenis


Een geëigende herinnering aan wat er op deze feestdag zo’n twee duizend jaar geleden in Palestina is geschied, valt onderaan te lezen in deel 1”Het orgaan van de Pinksteropenbaring” van het 12de hoofdstuk “De Pinkstergebeurtenis” uit het in afwachting op de boekpublicatie online volledig beschikbaar werk "Antroposofische beschouwingen over het Nieuwe Testamentvan Valentin Tomberg dat gericht is aan lezers die zich een basiskennis van de antroposofie hebben verschaft, inclusief van de vele voordrachten van Rudolf Steiner over de evangeliën. Samen met de andere drie delen zal dit 12de hoofdstuk in het kader van “Gods Rijk op Aarde realiseren – De antroposofische beweging als het Nieuwe Christendom” op zondagmiddag 2 juni van 14:30 -18:00 uur in de bibliotheek van het Willehalm Instituut, 386A, Amsterdam 1017 JB  door de vertaler Robert Jan Kelder met een inleiding en commentaar ten gehore worden gebracht (zie de vorige bijdrage hier voor de eerste uitvoerige aankondiging). 



Het orgaan van de Pinksteropenbaring

In de voorafgaande beschouwing werd getracht het geestelijk feit tot uitdrukking te brengen dat er naast de schriftelijke evangelieberichten een "ongeschreven evangelie" bestaat, het levenstableau van Christus Jezus, dat als het ware in de etherische aura van de Aarde is blijven staan. Dit niet vernietigbaar en onuitwisbaar evangelie is – en zal in de toekomst steeds meer zo zijn – de bron van die kennis over het negentien eeuwen geleden plaatsgevonden Christusgebeuren, hetwelk op de weg van het imaginatief schouwen, de geïnspireerde kennis en de intuïtieve ervaring verkregen kan worden.
            Maar dit "ongeschreven evangelie" heeft niet alleen betekenis voor het heden en voor de toekomst – ook in het verleden heeft het een enorme betekenis gehad, en wel reeds vrijwel direct na de gebeurtenissen van het mysterie van Golgotha. Want in de veertig dagen tussen het mysterie van Golgotha en de Hemelvaart vond in essentie het beleven van de beelden van het levenstableau van Christus Jezus door de discipelen plaats. De "instructie van de Herrezene", het onderwijs dat de discipelen op dat moment door de Herrezene kreeg, bestond er met name uit dat beelden voor hun ziel ontstonden, waarvan ieder een beeld dat op de tijd van leven en werken van Christus Jezus vóór het mysterie van Golgotha betrekking had, wakker riep en zich als het ware met het wakker geroepen beeld uit het verleden verenigde. Er traden dus voor de zielen van de discipelen de beelden steeds paarsgewijs op: een beeld als een openbaring van de Herrezene en een beeld van Zijn leven en werken vóór het mysterie van Golgotha. En het was steeds zo dat het eerste beeld als het ware als de hogere betekenis en vervulling van het tweede beeld beleefd werd. Aldus leidde de Herrezene de zielen van de discipelen door de scènes van Zijn levenstableau, maar zodanig dat iedere scène tegelijkertijd als imaginatieve uitdrukking van een hogere geestelijke waarheid beleefd werd. Het was inderdaad onderwijs – en datgene waarin onderwezen werd was de inhoud van het "Ongeschreven evangelie".
            Toen geschiedde het dat het door middel van de imaginatie gegeven onderwijs ophield. De beelden verdwenen uit de beleving van de discipelen en ook de gestalte van de Herrezene zelf verdween. Dit gebeurde op Hemelvaartsdag. Sinds die dag begon er voor de discipelen een pijnlijke tijd. Want ze beleefden zichzelf als leeg en verlaten. De wereld van de betekenisvolle beelden was weggevaagd; in duisternis en stilte werden nu de zielen ondergedompeld. De pijn die de discipelen op dit moment ondergingen is nauwelijks te vergelijken met enige soort pijn die in het gewone leven kan worden beleefd. Want hij werd niet veroorzaakt door de aanwezigheid van iets wat bedroevend of pijnlijk was, maar door de afwezigheid van alles wat aan de ziel leven en inhoud gaf. In deze toestand van de ziel is ieder "positief" lijden slechts een opluchting: de scherpe pijn is inderdaad ook een ervaring en behoort daarom tot het leven, terwijl de pijn van het leeg-zijn geen ervaring, maar een toestand is waarin de ziel zichzelf als niets beseft.
            De ervaring door de discipelen van de dood van de ziel was het die aan Pinksteren vooraf ging. En deze ervaring was de noodzakelijke voorbereiding voor dat gebeuren. Want het ging bij dat gebeuren om de ervaring van de opstanding van de ziel – een ervaring die alleen maar op die van de dood van de ziel kon volgen.
            Maar nu werd die pijnlijke voorbereiding op de Pinkstergebeurtenis door een zekere omstandigheid verlicht, namelijk door het feit dat de pijn van die voorbereiding voor de kring van discipelen een gemeenschappelijke, en bijgevolg een gedeelde was. De eenzaamheid die door de discipelen werd beleefd was een geestelijke – maar menselijk gesproken betekende die juist een band die de kring van discipelen ten diepste samenbond. Want gemeenschappelijke pijn is de meest krachtige manier om mensen onderling te verbinden – en de pijn die door de discipelen werd ervaren bewees zich als die band welke nodig was om de groep discipelen tot het orgaan van de Pinksteropenbaring samen te binden.
            Want een speciale soort onderlinge verbinding tot een eenheid van de groep discipelen was nodig voor het tot stand komen van de Pinksteropenbaring. En wel diende deze verbinding zodanig te zijn dat ze niet alleen op een gemeenschappelijke gezindheid, maar vooral op een gemeenschappelijkheid tot in de diepste gronden van het gevoelsleven diende te berusten. Daartoe dienden de gevoelslichamen van de discipelen zodanig met elkaar verbonden te worden als de twaalf stromen van het bovenzinnelijk hart van het menselijk lichaam met elkaar verbonden zijn. Het ging er als het ware om de groep discipelen tot een orgaan te vormen die met de innerlijke structuur van het bovenzinnelijk hartorgaan overeenkomt. Want de ervaring van de opstanding van de ziel diende in het hart te worden beleefd – maar ze diende door één hart te worden beleefd dat de mensheid zou kunnen vertegenwoordigen.
            En er moest zo’n hart worden aangekweekt – een hart van de mensheid, bestaande uit een groep mensen die hun gevoelslichamen door het ondervinden van de gemeenschappelijk doorstane pijn net zo met elkaar verbonden hadden als de blaadjes van een bloem met elkaar verbonden zijn. Zodoende stelde de gemeenschap van discipelen ten tijde van de Pinkstergebeurtenissen een "twaalfbladige bloem" voor, waarbij de individuele "bladeren" van die "bloem" zich rond een middelpunt gerangschikt hadden. Dit middelpunt werd door een gestalte weergegeven welke als de dertiende in het midden van de kring van discipelen de centrale plaats innam. In de kerkelijke traditie werd ze als Maria, de moeder van Jezus,  aangeduid en gepresenteerd – in de gnostische esoterische traditie duidde men haar aan als de "Jonkvrouw Sophia".
            Maria-Sophia was het "hart van het hart", d.w.z. zij vormde het middelpunt van de kring van Twaalf dat in het uur van Pinksteren als het ware het "hart van de mensheid" was.
            Van de centrale betekenis van Maria-Sophia in de kring van de Twaalf bij het tot stand komen van de Pinksteropenbaring was men steeds op de hoogte – zowel in de eerste eeuwen na Christus als in de late middeleeuwen. Deze wetenschap vond ook in de kunst zijn uitdrukking. Zo stelt een miniatuur van de Syrische Codex (586 na de geboorte van Christus), die bewaard wordt in de Bibliotheca Laurenziana in Florence, de Pinkstergebeurtenis als volgt voor: Maria die in het midden van de Twaalf staat, de Heilige Geest die in de vorm van een duif boven haar hoofd zweeft en de stroom van de openbaring direct over haar heen giet, terwijl bij de Twaalf als gevolg daarvan vuurtongen boven de hoofden oplaaien. Maria-Sophia wordt getoond in een lichtpaars overgewaad (maphorion) op een blauwe rok (chiton). De gezamenlijke groep van gestalten is omgeven door motieven van bloeiende bloemen en van boven bedekt door een omvattende, omgekeerde schaal.[1]
            Dit beeld van de kring van Twaalf met Maria-Sophia in het hart leidt ons tot een vraag zonder welks beantwoording de Pinkstergebeurtenis niet begrepen kan worden, namelijk de vraag naar het wezen van Maria-Sophia en haar deelname aan het tot stand komen van de Pinksteropenbaring.





[1]Carucci, p.140; Kondakoff »Ikonografya Bogomateri«, Vol. l, p. 187.




dinsdag 2 april 2019

Valentin Tomberg als de verhinderde Maitreya Bodhisattva en de hogere stadia van de Lijdensweg



Tiende lezing van de reeks 12 "Antroposofische beschouwingen over het Nieuwe Testament" van Valentin Tomberg door Robert Jan Kelder met een inleiding en commentaar

In de inleiding van de vorige 9de lezing over de eerste drie stadia van de Lijdensweg werd een passage uit het nog niet verschenen 3de deel van het boek Meditaties op de Grote Arcana van de Tarot  - Christendom en Hermetisme, een verkenningstocht van Valentin Tomberg over de 21ste Arcana van De Nar voorgelezen en becommentarieerd. Na het een passage over het debacle van de theosofische "Ster van het Oosten" –  die in 1912 Krishnamurti als de grote wereldleraar had aangekondigd, maar die dat later zelf ontkende – komt de volgende passage waarin de auteur zichzelf indirect als de Bodhisattva van de 20ste eeuw identificeert: 

"Veel terughoudender en zonder een bepaalde persoonlijkheid als kandidaat te noemen, voorspelde de oprichter van de Antroposofische Vereniging, Doctor Rudolf Steiner – nog voor de eerste helft van de 20ste eeuw – de verschijning niet van de nieuwe Maitreya of de nieuwe Avatar Kalkin, maar veeleer van de Bodhisattva, d.w.z. de individualiteit die de toekomstige Boeddha zal worden voor wiens activiteit, zoals hij hoopte, de Antroposofische Vereniging als werkterrein zou dienen. Nieuwe schok! Dit keer gold de schok niet de fout met betrekking tot de te verwachten persoonlijkheid, noch tot het tijdpunt van het begin van diens activiteit, maar veeleer de overschatting  van de Antroposofische Vereniging van de kant van haar oprichter: aldus kwam er niets uit.
            Hoe dan ook, de idee en verwachting van de aankomst van de nieuwe Boeddha en de nieuwe Avatar leeft tegenwoordig zowel in de westerse wereld alsook in het Morgenland. Er is veel verwarring over dit vooral van de Theosofen uitgaande idee [zoals bij wijlen Benjamin Creme], maar er zijn ook geesten die daarin helder zien.  Rudolf Steiner bij voorbeeld zag daarin zeer duidelijk; van al datgene wat men publiekelijk gezegd en geschreven heeft is het meest doeltreffend wat door Rudolf Steiner werd gezegd. Hij was tenminste op het goede spoor.
            Wanneer we nu hetzelfde spoor volgen – dat aan het hoogtepunt van de versmelting van spiritualiteit en intellectualiteit grenst – komen we tot de volgende opvatting:
            Daar het om het werk van de versmelting van openbaring en kennis gaat, van spiritualiteit en intellectualiteit, gaat het vooral om de versmelting van het principe van de Avatar met de Boeddha. M.a.w. de door de Hindoes verwachte Kali-Avatar en de door de Boeddhisten verwachte Maitreya-Boeddha zullen zich in een enkele persoonlijkheid manifesteren. Maitreya-Boeddha en Kalki-Avatar zullen op het historische plan een en hetzelfde zijn.
            Dat wil zeggen dat de te verwachten Avatar ‘met het reusachtige lichaam en de paardenkop’ en de Boeddha ‘die het Goede zal brengen’, alleen een dezelfde persoonlijkheid zullen zijn. En deze persoonlijkheid zal voor de volledige vereniging van het meest verheven humanisme – het principe van de Boeddha’s  - en de hoogste openbaring – het principe van de Avatars – dermate beteken dat zowel de geestelijke wereld alsook de menselijke wereld en in overeenstemming met hen zal spreken en handelen. Met andere woorden: de Boeddha-Avatar van de toekomst zal niet alleen van het Goede spreken, maar hij zal het Goede uitspreken; hij zal niet alleen de weg van het heil leren, hij zal op deze weg voortschrijden; hij zal niet alleen de diepe betekenis van de openbaring verklaren,  hij zal niet alleen de mensen tot echte getuigen van deze wereld maken , maar zal de mensen zelf tot stralende ervaring van de openbaring doen bereiken, dermate dat niet hij het zal zijn die gezag zal winnen, maar veeleer Degene ‘die het Licht van de wereld is dat alle mensen verlichten die in deze wereld komen’ – Jezus Christus, het vlees geworden Woord die de weg, de waarheid en het leven is. De Missie van de komende Boeddha – Avatar zal dus niet de stichting van een nieuwe religie zijn, maar de mensen tot de directe ervaring van de bron zelf van alle openbaring laten komen die ooit van boven door de mensheid werd ontvangen, evenzo als tot die wezenlijke waarheid die ooit daardoor begrepen werd. Niet naar nieuwigheid zal hij wijzen, maar naar de bewust zekerheid van de eeuwige waarheid.”

Wanneer men deze passage toepast op de biografie van Valentin Tomberg – als de naar eigen zeggen gereïncarneerde Hermes – en het feit dat Rudolf Steiner heeft gezegd dat de Maitreya Bodhisattva  in het jaar 1900 was geboren met de eigenlijk missie om de verschijning van Christus in het etherische te verkondigen en dat hij daarmee in de jaren dertig zou beginnen, dan past dit precies op de levensloop en het levenswerk van de schrijver, en wel in die zin dat nadat hij zich genoodzaakt zag om zichzelf in 1940 uit de Antroposofische Vereniging terug te trekken dit tot resultaat had dat daarmee ook de goddelijke inspiraties van de Avatar-Kalkin zich terugtrokken en Valentin  Tomberg zijn levenswerk slechts als de vernieuwer van het christelijke hermetisme voortzette in het kader van het meest verheven humanisme van het Boeddha-gedeelte van zijn missie, dus zonder eerder de op de basisbegrippen van de antroposofie ontwikkelde hoge goddelijke openbaringen. Zijn missie om als de Maitreya-Bodhisattva binnen de Antroposofische Vereniging verder  te werken werd door een schrijnend gebrek aan erkenning en spirituele verdraagzaamheid door de toenmalige voorzitter Zeylmans van Emmichhoven helaas verhinderd, om niet te zeggen geaborteerd, met al de desastreuze gevolgen voor zowel de Vereniging en de wereld van dien!
            Als nu Valentin Tomberg in het 2de deel “De Graflegging” van het op zondagmiddag 7 april van 14:30 to 18:00 uur ter sprake komende 10de hoofdstuk “De hogere stadia van de Lijdensweg”, dat hier in zijn geheel als bijlage is toegevoegd, schrijft dat “B.v. de driegeledingsactie van Rudolf Steiner een graflegging was – één onder vele andere, waarvan men zich slechts algemeen bewust is geworden dat die een zodanige was. Geleidelijk aan zal echter ook m.b.t. andere dingen tot bewustwording komen dat ze grafleggingsgebeurtenissen in het leven en werken van Rudolf Steiner waren, “ is het dus gerechtvaardigd om ook Valentin Tombergs levenswerk binnen de Antroposofische Vereniging een graflegging te noemen, die pas later hopelijk tot opstanding zou kunnen komen…

Als een klein onderdeel om dit trachten te bewerkstelligen werd deze lezingenreeks opgezet, werden er hier wekelijkse berichten en aankondigingen over geschreven en hoofdstukken als bijlagen toegevoegd, die echter zelf een soort graflegging bleek  te zijn, daar er nooit, om wat voor redenen dan ook, meer dan enkele mensen gehoor gaven om deze voorlezingen bij te wonen (waardoor tenminste de reeks wel kon doorgaan) en er weinig voor terug konden of wilden geven, zodat de organisator dus een vrij groot financieel verlies aan onkosten moet incasseren. De laatste  11de en 12de lezingen over “Het Mysterie van Golgotha” en “Het Pinkstergebeurtenis” zullen daarom niet meer in het Ita Wegmanhuis plaatsvinden, maar waarschijnlijk in de bibliotheek van het Willehalm Instituut op nog nader aan te geven datums.

Wij eindigen deze aankondiging met de samenvatting die de schrijver zelf aan het einde van het 10de hoofdstuk over de hogere stadia van de Lijdensweg geeft: “Deze samenvatting kan echter slechts in de vorm van een beeld worden gegeven. En wel is dat het beeld van het Rozenkruis, dat niet alleen de hogere stadia van de ‘Lijdensweg’, maar eigenlijk ook de hele voorbereiding voor deze weg, d.w.z. het gehele proces van de christelijke inwijding samenvat. Want het is het teken van het ‘smalle pad’ van het offer en de op deze weg opbloeiende opstandingskrachten. Dood en opstanding zijn de twee basismotieven van de christelijke geestesweg – en in het symbool van het Rozenkruis zijn beide tot een eenheid verbonden. Zo moge het zwarte kruis met de lichtende rode rozen al het hier over de christelijke inwijding te berde gebrachte samenvatten. Moge het – al zij het maar voor een moment – als een waarmerk, een herkenningsteken  van de gestrenge geestelijke wereld voor het geestesoog van de lezer staan, en tegelijkertijd als een Paasgroet van de schrijver aan de lezer!”


Bijlage

Hoofdstuk X.


DE HOGERE STADIA VAN DE LIJDENSWEG

1. De kruisdraging

Noot vooraf: Dit hoofdstuk stamt uit een werkvertaling door Robert Jan Kelder van Antroposofische beschouwingen over het Nieuwe Testament van Valentin Tomberg en veronderstelt een basiskennis van de antroposofie en van de voordrachten van Rudolf Steiner over het Nieuwe Testament. Dit hoofdstuk en de andere 11 zijn ook hier te lezen.

In de voorafgaande beschouwing werden voetwassing, geseling en doornenkroning als principes van de christelijke rozenkruiser-methode, als karmische noodzakelijkheden en als toekomstige gebeurtenissen van de geestesgeschiedenis beschouwd. Het onderwerp werd daarbij vanuit het aspect van de regulering van de verhoudingen van boven en beneden, van links en rechts en van voor en achter behandeld (uiteraard kan hetzelfde onderwerp ook vanuit andere gezichtspunten worden beschouwd).
            Om nu deze benadering m.b.t. de verdere stadia van de lijdensweg voort te zetten, moet de innerlijke samenhang van de eerste drie stadia met de vierde, die van de kruisdraging begrepen te worden. Want de kruisdraging komt voort uit het gelijktijdig beleven van de voetwassing, de geseling en de doornenkroning. Zoals het kruis al de "ruimtelijke relaties" omvat, waarover in de voorafgaande beschouwing i.s.m. de eerste drie stadia van de lijdensweg sprake was, zo zijn al deze drie stadia van de lijdensweg in het stadium van de kruisdraging bevat. Het "kruis" dat gedragen dient te worden is niets anders dan de mens zelf. Het is de mens die in de zin van de voetwassing, geseling en doornenkroning, in zichzelf een systeem van stromingen heeft gevormd die met de kruisvorm overeenkomt.
            Doordat dit gebeurd is, doet de mens een nieuwe ervaring op, die tegelijkertijd een nieuwe beproeving is. Hij had tot aan deze fase van zijn ontwikkeling steeds meegemaakt dat hij door de geest verlicht, versterkt, gedragen werd. Nu vindt er echter op deze fase een fundamentele verandering plaats. De mens beleeft in zichzelf een hogere, geestelijke mens die hem in de stroomvorm van het kruis innerlijk doordringt. Maar deze hogere, geestelijke mens draagt niet de mens, zoals deze mens zich voordien als gedragen door de geest beleefde. Integendeel, hij beleeft dat de hem innerlijk doordringende hogere mens door hem moet worden gedragen. De gewone, lagere mens beleeft in zichzelf zijn hogere geestelijke "broeder", en hij verneemt door zijn hele innerlijke lotssituatie de stem van het gebod: "Gij zult uw broeders hoeder zijn!"
            Dit gebod betekent echter dat de mens zichzelf als omhulling en steun van de andere mens te ondervinden heeft. Hij beleeft dat hij al de vruchten van zijn moeizame aardekenniswerk en aardehandelingen aan de andere mens weg heeft te geven, maar dat laatstgenoemde de vruchten van zijn geestelijke ervaring en geestelijke capaciteiten niet aan de lagere mens geeft, maar in dienst van de mensheid stelt. Tevens beleeft hij de hogere mens in zichzelf als een constante oorzaak van het openbaar worden van zijn tekortkomingen en onvolmaaktheden. Ja, hij beleeft dat de mens in de vorm van het lichtkruis hem, de lagere mens, als een aards, donker kruis voor zijn eigen bewustzijn doet verschijnen. Het lichamelijke organisme verschijnt daar als zijnde van hout en dood, een organisme dat in hoogst denkbare mate ongeschikt lijkt om voor de geest ontvankelijk te worde
            Zo staat het menselijk persoonlijk bewustzijn tussen twee kruisen: het stralende kruis van de hogere mens die het te dragen heeft, en het donkere kruis van het lichamelijke organisme dat het te verdragen heeft. In deze situatie ontstaat in de mens een innerlijke woede, een gevoel van protest, het opkomen waarvan helemaal niet vermeden kan worden. Deze wrok kan in twee richtingen culmineren: in de richting van de hogere mens en in de richting van het lichamelijke organisme. Het persoonlijk bewustzijn kan vanuit de aangeduide wrok tegen zichzelf zeggen: "Moet ik mijn broeders hoeder zijn?" En een verlangen kan in het persoonlijk bewustzijn zich doen gelden om het kruis van de hogere mens in zich af te werpen, d.w.z. de "broeder te doden".
            Anderzijds kan het persoonlijk bewustzijn tot een diepe afkeer van zichzelf – als lichaam, temperament en karakter van de zich uitlevende "burgerlijke persoonlijkheid" – komen. Een zelfhaat kan bij de mens opkomen die evenzo goed in de richting van moord neigt, als de opstand tegen de hogere mens. Want de verleiding treedt op om het kruis van de aardse persoonlijkheid, die dan als hoogst onvruchtbaar, kleinburgerlijk en laf verschijnt, af te werpen.

Zolang men niet over de kennis van deze beproevingen beschikt, zolang  zal men bv. nooit de volledige tragische diepte begrijpen van wat zich in de zielendieptes van de twee grote zelfmoordenaars van de negentiende eeuw – in de zielen van Friedrich Nietzsche en Otto Weininger – afspeelde. Want Friedrich Nietzsche heeft geestelijke zelfmoord begaan, doordat hij de christelijke, hogere mens in zichzelf "doodde" – d.w.z. het lichtende kruis afwierp. En Otto Weininger kon zichzelf als aardse persoonlijkheid niet verdragen – en wierp het donkere kruis van zich af door daadwerkelijk zelfmoord te plegen.
            Deze tragische gestalten worden hier niet alleen vermeld om de ernst van de beproeving van de kruisdraging aan te geven, maar ook om reden dat een goed begrip van deze catastrofen in de zin van een bepaalde beproeving, die niet werd doorstaan, de belangrijkste dienst is die men diegenen verplicht is te bewijzen die dergelijke catastrofen te ondergaan hadden. – De beproeving echter, die door de genoemde persoonlijkheden niet kon worden doorstaan, bestond in wezen hierin om een zodanige relatie tot het lichtende kruis en het donkere kruis te ontwikkelen, welke door de woorden: "Hebt uw naaste lief als uzelf"  wordt aangeduid.

Deze "eenvoudige" woorden bevatten in werkelijkheid een verder basisprincipe van de inwijdingsmethode van de christelijke Rozenkruisers. Want tot deze methode behoort als onontbeerlijke voorwaarde dat men ernaar streeft om het probleem van mensheidsliefde versus eigenliefde praktisch zo op te lossen dat de mens de voor de mensheid levende hogere mens net zo liefdevol behoedt als hij de lagere mens liefdevol verzorgt, d.w.z. dat hij het lichtende kruis niet uit verplichting maar uit liefde draagt, en dat hij het donkere kruis door middel van geduldig en ongedwongen onderwijzing tracht te verlichten, zoals dat alleen vanuit liefde mogelijk
            De mens mag niet liefdeloos tegenover zijn eigen geestelijk-lichamelijke gesteldheid worden; anderzijds mag hij de hogere mens in zichzelf, welke op de mensheid is ingesteld, niet louter als een plicht ondervinden. De weg echter die tot een evenwicht tussen de beide uitersten leidt bestaat hieruit dat het persoonlijk bewustzijn dat tussenin beide "kruisen" staat, leert om aan de liefde van de hogere mens tot de mensheid deel te nemen en wel daardoor dat hij een mens zo liefheeft als zichzelf, en dat hij zichzelf, d.w.z. zijn aardse persoonlijkheid, leert te beamen om reden dat hij zijn liefde tot een ander mens niet door iets anders kan openbaren. De "naaste", d.w.z. de het dichtst bij hem staande mens, is dus de school om enerzijds de universele liefde te leren, en anderzijds de eigenliefde – vanuit nieuwe beweeggronden – te behouden. Want de liefde is geen hoeveelheid: heeft men die op een punt geleerd, dan zal men ook met de stralen van de hogere mens in zichzelf in de gerichtheid op het algemene kunnen meetrillen. Anderzijds zal men ook tegenover de eigen natuur niet onverschillig staan, wanneer men de hele andere mens in de warmte van het hart heeft opgenomen.
       Zo heeft de mens tegelijkertijd drie soorten liefde te ontplooien, op te wekken en te onderhouden: de algemene mensheidsliefde van de geestelijke mens, de liefde tot de naaste mens en de liefde tot de eigen aardse persoonlijkheid. Realiseert de mens dit, d.w.z. vervult hij geest, ziel en lichaam met liefde, dan blijft er in zijn wezen geen ruimte voor de haat over: zijn liefde mag nog zo onvolmaakt zijn – voor de haat is er dan in zijn wezen geen plaats.
            Zoals het bij de doornenkroning op de overwinning van schaamte en vrees aankwam, zo komt het bij de kruisdraging aan op de uiteindelijke overwinning van haat in de vorm van wrok tegenover het hogere en aversie tegenover het alledaagse. Wordt de haat in de zin van het principe: "Hebt uw naaste lief als uzelf" – overwonnen, dan wordt in de mens een samenwerking in liefde van geest, ziel en lichaam bereikt. Een harmonie van de drie wezensdelen van de mens vormt zich – en deze harmonie is zowel een vrucht van het doorstaan van de beproeving van de kruisdraging alsmede de vervulling van een basisvereiste van het occultisme van de christelijke Rozenkruisers. Want de methode daarvan stoelt op het principe van de harmonie tussen geest, ziel en lichaam.

Andere geestelijke bewegingen stellen daar tegenover ofwel het principe van de ascese, d.w.z. de ontkenning van het lichaam – ofwel het principe van "de suprematie van de aardse persoonlijkheid", d.w.z. de ontkenning van de geest, die de persoonlijkheid toch heeft te volgen, indien zij zich niet volledig aan het vergankelijke wil overgeven. De zuiverheid die op het pad van de christelijke geestelijke scholing wordt nagestreefd, bestaat niet uit onderwerping van de menselijke natuur, maar uit haar veredeling: doordat ernst en hartelijkheid steeds meer in de menselijke natuur binnengestroomd worden, kan men de ervaring opdoen dat eigenlijk alle disposities van de menselijke natuur aan het grote werk dienstbaar kunnen zijn. En de vrijheid van de persoonlijkheid op deze weg bestaat daarin dat de persoonlijkheid leert om van haar geestelijke plicht te houden.

Deze ervaringen van de kruisdraging, die de individuele mens op de scholingsweg van de geest en binnen zijn lot kan beleven, staan de mensheid te wachten tijdens het toekomstige tijdperk, waarin de "witte" mensheid tegenover de ahrimanische mensheid komt te staan, waarbij de eerste echter geleerd zal hebben zodanig tegenover de tweede te staan dat ze niet alleen in trouw aan de waarheid zal staan, maar zich voor de andere mensheid verantwoordelijk zal weten. En ze zal dan de aan de verduistering ten prooi gevallen mensheid als haar kruis dragen. Tegelijkertijd zal ze echter ook drager van de geestelijke mens in zichzelf zijn, die dan iedere mens innerlijk – in de vorm van een kruis – zal doordringen. Dan zal die mensheid de taak van de engelen op zich genomen hebben. Ze zal tegenover de ahrimanische mensheid een vergelijkbare dienst leveren als de engelen tegenover de huidige mensheid. Anderzijds zal zij de hogere mens in zichzelf dragen, die in plaats van de beschermengel zal treden.
            Maar de hogere mens zal op een zodanige wijze de plaats van de beschermengel innemen, dat deze de mens niet zal overschaduwen, maar in hem als belichaamde wezenheid tegenwoordig zal zijn. En dit feit van de belichaming zal de betekenis hebben dat de hogere mens zich in zekere mate aan de persoonlijke mens zal prijsgegeven. Hij zal laatstgenoemde vertrouwen, opdat deze zijn "wachter" zou zijn. Dan zal de mensheid in wereldhistorische zin de situatie van de kruisdraging te ervaren hebben, zal ze in deze situatie de overwinning van de haat leren en daardoor de harmonie van lichaam, ziel en geest tot stand brengen.


2. De kruisiging

Teneinde het stadium van de kruisiging als basisprincipe van de christelijke Rozenkruiserinwijding te begrijpen, moet eerst van dingen worden uitgegaan die ogenschijnlijk daar niets mee te maken hebben. En met name moeten de verschijningsvormen van de wet van metamorfose beschouwd worden, voor zover die in het menselijk bestaan geobserveerd kunnen worden. Dergelijke verschijningsvormen kunnen zowel op het gebied van het innerlijk leven van de mens alsook op het gebied van de lichamelijke orgaanvorming geobserveerd worden.
          Voor beide gebieden geldt de regel dat de metamorfose door de opeenvolging van belemmering en vrijheid geschiedt. Zo is bv. de taal een metamorfose van de bewegingsvaardigheid doordat de beweging zichzelf heeft verinnerlijkt. Maar deze verinnerlijking kon alleen daardoor geschieden dat aan de uiterlijke beweging grenzen gesteld werden. Onderdrukte uiterlijke bewegingen werden tot de verinnerlijkte bewegingen van de taal.
    Zo ook is de denkvaardigheid een verdere etappe van de metamorfose van de bewegingsvaardigheid. Het denken is een verinnerlijking van de spreekvaardigheid, doordat laatstgenoemde onderdrukt, geremd wordt. In het zwijgen leert men te denken, zoals men in de beteugeling van de bewegingsdrang leert spreken.
            Nu kan deze metamorfose verder doorgevoerd worden. Want het denken kan tot een nieuwe, hogere vaardigheid verinnerlijkt worden. Dit kan geschieden doordat de denkbeweging bewust tot stilstand wordt gebracht, dat daarbij echter geen gedachteloosheid, passiviteit optreedt, maar dat de gehele denkkracht op één punt geconcentreerd wordt. Door deze concentratie wordt het denken verinnerlijkt en metamorfoseert het zich tot het vermogen van geestelijk schouwen. In meditatie wordt deze metamorfose door oefening bewerkt. Daarbij gaat het erom, van denken tot gedachten, en van gedachten tot schouwen voort te schrijden. Deze stappen worden echter gezet doordat inspanningen tot beteugeling, tot zelfbeheersing worden ondernomen. Het denken moet daar namelijk door het "oog van de naald" van de volledig rustige concentratie heen gaan om in het "hemelrijk" van het schouwen als waarnemingsvermogen op te duiken. Het moet door het punt van de toestand van volmaakte gebondenheid, van volledige onbeweeglijkheid heen gaan, voordat het de drempel, die het rijk van het schouwende beleven van het rijk van het nadenken scheidt, overschrijden kan.
            Deze wet van de remming van een lagere kracht, opdat die zich in een hoger vermogen zou kunnen transformeren is het principe van de kruisiging (of de inwijding) in de christelijke Rozenkruiserscholing. Het is het principe van het opstijgen in de meditatie; het is echter tevens het principe van de gehele weg van de karmische ontwikkeling tot de karmisch bepaalde inwijding. Op de karmische weg naar inwijding moet derhalve de ziel door een innerlijke – meestal tegelijkertijd ook uiterlijke – situatie  heen gaan, waar ze in al haar elementaire gevoels- en wilskrachten  gebonden is – een situatie waarin de ziel het sterkst mogelijke verlangen en streven ontwikkelt, waarbij ze echter tegelijkertijd geen schijn van kans heeft om haar verlangen te bevredigen en haar ambities te verwerkelijken. Het komt op dit stadium niet meer op het denken aan, omdat het denken reeds overeenkomstige toestanden gepasseerd moet hebben. In dit stadium komt het op het willen aan. Daarbij gaat het om het in ijzeren klemmen van noodzakelijkheid in onbeweeglijkheid gehouden verlangen en willen van de mens – totdat het tot één punt geconcentreerd wordt en door dit "oog van de naald" van de "mystieke dood" heen gaat. Een "rijke" kan nimmer door dit "oog van de naald" gaan, maar slechts een die zo "arm" is als die mens welke op het sterfbed op het punt staat om door de poort des doods te gaan.
           
Het principe van de remming van het lagere ten behoeve van diens metamorfose tot iets hogers wordt in de evangeliën "het smalle pad" genoemd, in tegenstelling tot de "brede weg", waarop velen wandelen. In de evangeliën worden de uitdrukkingen niet "dichterlijk" gebruikt, maar als vanuit diepe kennis van occulte feiten gevormd "occult jargon". En tot dergelijke "vakuitdrukkingen" behoort die van het "smalle pad" met welke expressie het pad bedoeld is waarop de "vernauwing", de concentratie van de zielenkrachten geschiedt teneinde die – volgens de wet van de metamorfose – in hogere krachten te transformeren.
            Deze "vernauwing" van de zielenkrachten bereikt zijn hoogtepunt in de situatie die als de "kruisiging" wordt aangeduid. De situatie van de kruisiging treedt dan in, wanneer de "kruisdraging" het punt heeft bereikt waarop de twee kruisen – het lichtende kruis van de geest en het donkere kruis van de Aarde– één worden. Wanneer beide kruisen elkaar doordringen, zodat er voor het persoonlijk bewustzijn van de mens geen ruimte tussen de twee kruisen overblijft, dan wordt dit persoonlijk bewustzijn tot een punt waarin zich zijn gehele kracht verzamelt, concentreert en vanaf dit punt in het kruis uitgiet. Het "sterft" doordat het zelf tot kruis wordt.
            Het draagt het kruis niet verder, maar wordt één met de geest-lichaamsmens. Dan wordt zijn "geestelijke plicht", de "hogere mens", vlees en bloed – en de aardse bloedmens wordt tot orgaan van de geestelijke waarheid. Dan wordt "het bovenste zoals het onderste, en het inwendige zoals het uitwendige". En deze transformatie, waarbij het niet langer alleen om de harmonie van lichaam, ziel en geest gaat, zoals op het stadium van de kruisdraging, maar om de eenheid van lichaam, ziel en geest – deze transformatie is juist het eigenlijke inwijdingsproces.

Dit proces kan echter in verschillende dieptegraden worden doorgemaakt, en van deze graden hangt het verschil in de graden van de ingewijden af. Want dit proces kan in het Ik (en de Ik- organisatie), kan tot in het astraallichaam, tot in het etherlichaam en in zekere mate zelfs tot in het fysieklichaam beleefd worden. Volledig in het fysieklichaam heeft alleen de Christus Jezus zelf dit doorgemaakt; de individualiteiten echter die het reeds gedeeltelijk in het fysieklichaam beleefd hebben zijn de "leraren van de grote ingewijden". Diegene individualiteiten die de kruisiging tot in het etherlichaam beleefd hebben zijn de zog. "grote ingewijden". En de individualiteiten die de kruisigingsbeleving in het astraallichaam en het Ik beleefd hebben vormen de categorie van de ingewijden en de kenners in het occultisme.

Op het stadium van de kruisiging geschiedt de zog. "ontmoeting met de grote wachter op de drempel", zoals het stadium van de doornenkroning voorafgaat aan de ontmoeting met de "kleine wachter op de drempel". Deze "ontmoeting" is de ervaring van de geestelijk-kosmische kruisiging waarvan reeds Plato geweten heeft, omdat hij over de "gekruisigde wereldziel" sprak. Alleen gaat het hierbij niet slechts om een ideële kennis van dit feit, maar om het beleven van het wereldgeweten in de gestalte van de Christus Jezus. En wel beleeft dan de mens de vervulling van het woord: "Heden zult gij met Mij in het paradijs zijn" (Lucas 23:43). Hij beleeft zichzelf geestelijk-moreel in de situatie van de dief die ter linkerzijde gekruisigd werd en die nu in het "paradijs", d.w.z. in de hogere geestelijke wereld, het "heden" als de tegenwoordigheid van het wereldgeweten ervaart. Hij beleeft voor het eerst het "heden" in het "paradijs", de ware tegenwoordigheid. Dit is niet het aarde-ogenblik dat het verleden met de toekomst verbindt, maar een realiteit die hem nu tegenover staat. Doordat de mens op Aarde door de ervaring van de grootst mogelijke concentratie, het moment van de "mystieke dood", de kruisiging heen gaat, ontwaakt hij voor de ervaring van de kosmische realiteit van de tegenwoordigheid. Maar hij gaat door deze ervaring heen als de dief ter linkerzijde er doorheen ging: als schuldige die op de Onschuldige blikt. En dit opzien naar de Onschuldige is juist de essentie van de ervaring van de ontmoeting met de grote wachter op de drempel, als het gekruisigde geweten van de wereld. Deze ontmoeting is tegelijkertijd ook de ervaring van de realiteit van het heden, van het "heden in het paradijs".

Het "heden" zoals het in het "paradijs" beleefd wordt is het ontwaken van het geweten in de tegenwoordigheid, in de zin van de verantwoordelijkheid van de mens voor het hele verleden en voor de hele toekomst. Het ge-weten, als het samen-weten van de taken van het verleden en van de toekomst in het tegenwoordige, is het "grote geheim van de inwijding" dat nooit "verraden" kan worden. Het kan nooit "verraden" worden, om reden dat het onuitspreekbaar is – d.w.z. in het geheel niet overdraagbaar, noch in de taal van menselijke woorden, noch in de taal van de bovenzinnelijke gedachtenoverdracht, noch in de taal van tekens en symbolen: het kan alleen innerlijk als ervaring in de ziel opstijgen en kan door geen enkele leraar op welke manier dan ook worden overgedragen. Om deze reden is de taak van de leraar in de christelijke Rozenkruiserschool beperkt tot het helpen van de leerling om de richting tot die ervaring te vinden. Maar het zich in die richting bewegen en de ervaring zelf moeten echter alleen aan de leerling worden overgelaten. Want hij heeft deze ervaring net zo goed alleen te beleven als hij alleen door de poort des doods heen heeft te gaan.
            Dit is wederom een van de fundamentele beginselen van de gehele christelijke Rozenkruiser geestesscholing: namelijk dat de verhouding tussen leraar en leerling op volledige vrijheid van laatstgenoemde berust. De Indiase "goeroe" die zich in het innerlijk leven van de "chela" naar binnen werkt en de "meester" die door voorschriften alle details van het leven van de "leerling" regelt zijn allebei even ver van de geest van de christelijke Rozenkruiser verhouding tussen leraar en leerling verwijderd. Want in de zin van deze verhouding is de leraar aansteker noch voogd, maar een ervaren vriend die zijn advies niet voor zichzelf houdt, wanneer hem daarom gevraagd wordt.
            Dat deze verhouding zo anders is op de andere, hier aangegeven wegen hangt natuurlijk af van het fundamentele feit dat deze wegen tot de zogenaamde "brede weg" behoren, d.w.z. dat op deze wegen niet de metamorfose van de bewust geremde lagere krachten tot in de hogere nagestreefd wordt, maar dat daar veeleer de ontplooiing en het gebruik van de bestaande krachten zoals die zijn, als doelstelling voor ogen staat. Want het gaat ofwel om de bevrijding van krachten die in het menselijk wezen voorlopig gebonden zijn, ofwel om de intensivering en de versterking van bestaande vaardigheden. Atavistische krachten van het verleden worden ofwel nieuw leven ingeblazen ofwel bestaande wils- en verstandsvermogens worden versterkt en geslepen in een mate die het gebruik ervan mogelijk maakt op een wijze die met een "magische" werking overeenkomt. Want de "brede weg", d.w.z. de weg van de uitbreiding, de ontplooiing van het bestaande, leidt ofwel tot een of andere vorm van mediumschap, ofwel tot een of andere vorm van egoïstisch magismus.

Er bewandelen echter velen de "brede weg", die naar de "verdoemenis", d.w.z. in de lotsgemeenschap van de toekomstig ahrimanische mensheid leidt. Deze mensheid staat echter in de toekomst eveneens een soort kruisiging te wachten – en wel de kruisiging van de moordenaar ter rechterzijde. Deze kruisiging zal daarin bestaan dat de ahrimanische mensheid in het zevende cultuurtijdperk de bewegingsvaardigheid verloren zal hebben. Ze zal aan de grond worden gebonden, gelijk dit bij planten het geval is. En daar zullen diegene mensen die het karma van mediumschap  – als slachtoffers van passiviteit – op deze manier te dragen zullen hebben naar bevrijding verlangen, en zullen diegene mensen die het karma van het zwarte magismus in deze situatie gebracht heeft, beschuldigingen en haat hemelwaarts richten.
            En ook in die situatie zal er nog de mogelijkheid zijn om veel van die mensen te verlossen – nu reeds in letterlijk fysieke zin te verlossen, d.w.z. ze van de bodem van de aarde los te maken – namelijk aanknopend bij het verlangen onder degenen die de slachtoffers van passiviteit waren. Dan zal de witte magie, d.w.z. de kracht van de liefde, nog tot op het laatste uur van de geschiedenis van de Aarde een breed werkgebied vinden teneinde banden, waardoor mensenwezens aan de grond gebonden zullen zijn, op te lossen.
            Een dergelijke werking van de witte magie zal mogelijk zijn op grond van het feit dat ook de "witte mensheid" dan door een soort beleving van de kruisiging in de zin van de voorafgaande uiteenzettingen heengegaan zal zijn. In wezen zal ze dan – maar met magisch geweld – tegenover het andere deel van de mensheid de woorden laten klinken: "Vreest gij dan niet God, nu gij tot zoiets veroordeeld bent?" (Lucas 23:40). En het zal de vrees, de vrees voor het oordeel van God, nog het laatste onderpand zijn dat de mogelijkheid van verlossing in het twaalfde uur zal betekenen – ook voor dat deel van de mensheid, wier lot door de beoefening van zwarte magie bepaald zal zijn.

Zo toont de karmische toekomstvisie van de mensheid in samenhang met de geestelijke wet van de kruisiging enerzijds verschrikkelijke afgronden van ongeluk, maar anderzijds ook de onmetelijkheid van de mogelijkheden tot hulp en verlossing die de voorzienigheid van God aan de mensen verleend heeft.

3. De graflegging

De ontmoeting met de "Grote wachter op de drempel" heeft eveneens bepaalde gevolgen, net zoals de eerste ontmoeting met de wachter op de drempel (of ook: de Wachter van de eerste drempel) bepaalde consequenties had. Zoals een mens van de eerste wachter een "opdracht" kreeg, volgens welke hij zich als een "wachter op de drempel" te bewijzen had, zo wordt de mens ook door de Grote wachter een specifieke taak "toevertrouwd". Ook hier gaat het om een bewuste deelname aan de opdracht van de wachter – en wel om een zich eigen maken van de doelen die de Grote wachter in de wereldgeschiedenis en de aardevolutie vertegenwoordigt. Nu laten zich die doelen m.b.t. de aarde-mensheid en de Aarde samenvatten in de evangelische woorden: "Tot aan het einde van de wereld ben Ik bij u."
            Deze woorden beteken onder andere het feit dat de Christus de mensheid en de Aarde door innerlijke leiding tot hun doelen voert. Hij leidt hen niet zoals dat de wetten van bv. de natuur eigen is, omdat die wetten door uiterlijke noodzakelijkheid hun naleving afdwingen; maar zo dat Hij in het innerlijk van de mens met innerlijke overtuigingskracht werkt. In plaats van de "oude wet" wordt zodoende dus steeds meer de "nieuwe wet" van kracht. Maar de nieuwe wet kan op deze weg slechts in werking treden, wanneer en voor zover de Christusimpuls zelf in de wezens binnentreedt en ze van binnenuit doordringt. Het "bij u zijn" is dus een noodzakelijkheid die uit het wezen van de Christusimpuls zelf voortvloeit. Want het komt met het wezen van de Christusimpuls overeen om de Aarde niet te verlaten, maar om haar, vanuit haar binnenste, opwaarts aan te trekken.
            Wat in deze zin het wezenlijke van de Christusimpuls is, wordt tot innerlijke noodzakelijkheid van de mens die de ontmoeting met de Grote wachter op de drempel heeft gehad. Hij besluit om samen met de mensheid en de Aarde tot het einde te gaan, en wel op een zodanige wijze dat hij binnen de karmische aardeverhoudingen zijn krachten wijdt aan het werk om aan het aardekarma een positieve wending te geven. Nu is echter het karma van de Aarde de dood. Hij is de enige realiteit die in het zuiver-aardse te vinden is. Op zijn velden wordt alles gezaaid, en hij is het die in eerste instantie alles oogst. Wie dit werkelijk weet, kan de Aarde niet anders beleven dan als een groot graf.
            De dichters mogen nog zo veel over de lente en bloei spreken – de occultist weet dat de Aarde een graf is. Dit te weten maakt hem echter niet somber, omdat hij dit graf niet haat, maar bewust in een even directe verbinding met het aardeleven treedt als de naïeve mens het onbewust doet. En dit "bewust zichzelf-met-de-Aarde-verbinden" is nu juist dat stadium van het geestelijke pad welke als die van de graflegging wordt aangeduid.
            De graflegging is dus een herhaling van de kruisdraging op een hoger stadium: wat men hier echter leert te dragen is niet het kruis van het individueel-menselijke karma, maar dat van het aardekarma. Dit betekent echter een geweldig groot verschil in niet alleen de omvang van de beproeving, maar ook in de aard ervan. Want het menselijke kruis staat verticaal opgericht, maar het aardekruis ligt in de horizontale stand. Als graf ligt het in de gestalte van het kruis, waarin de mens zich heeft "neer te leggen". En hij doet dit in het geloof en in de hoop dat door de inzet van zijn gehele wezen de poorten worden geopend waardoor de genadekracht van de wereld het wonder van de wederoprichting van het aardekruis teweeg zal brengen. Hij begeeft zich in het graf in de hoop op de opstanding.
            Deze "graflegging" is niet alleen een eenmalige geestelijke belevenis, maar met name een innerlijke situatie, waarbij de mens in duizend dingen steeds weer opnieuw voor de graflegging heeft te kiezen. Want men heeft voor handelingen te kiezen die in de gegeven situatie zonder gevolg moeten blijven en die men dus in de graftombe van het aardegebeuren neerlegt, in de hoop dat ze ooit in de toekomst als gevolgen  zullen "opstaan".
            Zo was bv. de driegeledingsactie van Rudolf Steiner een graflegging – één onder vele andere, waarvan men zich slechts algemeen bewust is geworden dat die een zodanige was. Geleidelijk aan zal echter ook m.b.t. andere dingen tot bewustwording komen dat ze grafleggingsgebeurtenissen in het leven en werken van Rudolf Steiner waren.
            Op deze trede – in deze levenssituatie – komt het met name erop aan om te leren, zaaier te zijn op de velden des doods. Daar moet geleerd worden om ook tot zodanige handelingen te besluiten, die pas in verre toekomst vrucht kunnen dragen. Op een zodanige moed komt het daar aan, die door geen mislukking gebroken kan worden, want hij handelt en werkt voor het karma, niet echter voor het louter resultaat.
            Dit werken voor het karma, het werken voor de toekomst is wederom een fundamentele instelling die door de christelijke occultist vereist wordt. Wie op succes af gaat, wie de wereld niet langs karmische wegen, maar gewoon meteen zelf "anders maken" wil – hij kan veel nuttige zaken uitrichten, maar als een serieus te nemen occultist kan hij niet gelden. Want de ernst van het occultisme is de ernst van de dood. En zijn kracht is niet de dadendrang van het vitaal optimisme, maar die van de zekerheid van karmakennis, en wel met name kennis van het karma van het mysterie van Golgotha. Want dit karma is de basis voor de zekerheid dat alles op het veld des doods gezaaide eenmaal zal opstaan.
            Een mens met ontwaakt geestelijk geweten – en een christelijke occultist heeft dat te zijn – mag in het heden niet zo handelen alsof het mysterie van Golgotha niet zou hebben plaatsgevonden. Hij moet – of liever gezegd, hij kan niet anders dan te trachten om met zijn inspanningen aan te sluiten bij de stroom van het karma van het mysterie van Golgotha. Dit streven brengt echter met zich mee de noodzaak van niet alleen de voetwassing, de geseling, de doornenkroning, de kruisdraging en de kruisiging in het beleven en in het werken, maar ook die van de graflegging.
            De "Navolging van Christus" op het pad van de inwijding en van het karma is dus niet alleen de inhoud van het mooie devotieboek van Thomas a Kempis, maar het basisprincipe van het christelijke Rozenkruiseroccultisme – tegenwoordig zowel in het verleden alsook in alle toekomst. Er bestaat maar één weg, het "smalle pad" dat tot het heil van de opstanding voert. De andere wegen behoren tot de "brede weg" die tot de dood leidt – d.w.z. tot een bestanddeel van de wezenheid van Ahriman te worden, welke de heer des doods is.
            Hij is uiteraard niet de Heer over de dood, maar nu eenmaal de heer des doods. Daarmee wordt eigenlijk gezegd dat er geen vernietiging bestaat, maar dat de dood in de zin van Ahriman de toetreding tot het Rijk van Ahriman zal zijn. En als Heer over de dood zal zich dan Diegene bewijzen die de opstanding zal ondergaan. De heer des dood zal zich echter als de heer van de verstarring van het individuele, van het persoonlijke bewijzen.
            Zo zal in verre toekomst de "graflegging" als karmische gebeurtenis plaatsvinden in de vorm van de verstarring van de aan Ahriman ten prooi gevallen mensheid. Mensen zullen tot verstarde bestanddelen van de verstarde Aarde worden, die als het ware hun gemeenschappelijk graf zal zijn geworden. De Aarde zal tot een groot graf worden, maar wanneer dit geschied zal zijn zal ook de laatste, hoogste genade van de Heer over de dood ingrijpen – de Aarde zal als wereldlichaam vernietigd en tot stof worden. Ze zal aan de andere dood ten prooi vallen, welke niet verstarring is, maar oplossing, verneveling van het verstarde. De dood zal ze ten prooi vallen, die de bevrijding is die de Heer over de dood verleent.
            En de Aarde zal de dood ingaan, om als Jupiter weer op te staan. Dan zal de ahrimanisch geworden mensheid opnieuw de gelegenheid worden geboden om het pad naar de geest van begin af aan te bewandelen. En op de Venus-stadium zal haar opnieuw deze mogelijkheid verleend worden, en ten slotte ook nog op de Vulcanus-toestand van de Aarde.

4. De opstanding

De opstanding is zo nauw met de graflegging verbonden dat deze twee "stadia" nauwelijks afzonderlijk kunnen worden beschouwd. Want de moed die voor de beproevingen van de graflegging noodzakelijk is, is een uitdrukking van hoop op de opstanding. En die hoop zelf is op de kennis van het mysterie van Golgotha gebaseerd – op de kennis dat het mysterie van Golgotha niet alleen de waarheid is, maar ook de weg en het leven, en wel zodanig dat het de weg is van de gehele positieve karmische toekomst van de mensheid, en dat het het leven is hetwelk zich als sterker bewijst dan het principe van verstarring en dood.
            De ervaringen waarop het op deze hoogste trede aankomt, hebben betrekking op de mysteriën van de dood en de mysteriën van de Vader. Hier wordt de dubbele gestalte van de dood en zijn macht ervaren: als de macht van de verstarring en als de macht van de oplossing. Anderzijds wordt tegelijkertijd ook het mysterie van de Vader in het gebied van de dood ervaren. En wel zal dat mysterie zodanig worden ervaren dat de kennis van het hoogste leven in de dood, van het hoogste licht in de duisternis, en van de hoogste gemeenschappelijkheid in de meest volledige eenzaamheid oprijst. Want de ziel duikt daarbij onder in het gebied dat in de mysteriëndrama’s van Rudolf Steiner als "wereld-middernacht" wordt aangeduid. En ze duikt uit dat gebied weer op, verrijkt met een nieuwe ervaring.
            Dit opduiken van de ziel uit de donkere velden van de wereld-middernachtelijke sfeer is de "opstanding", zoals die op de weg van inwijding wordt ervaren. Het gaat daarbij met name om de ervaring van het menselijke Ik, zelden ook om die van het astraallichaam – en in enkele zeldzame gevallen in de geestesgeschiedenis van de mensheid ook om die van de opstanding neerwaarts tot in het etherlichaam.
            In zijn totaliteit werd het proces echter slechts door de Christus Jezus alleen voorgeleefd, waarbij de volledige opstanding tot in het fysieklichaam geschied was. En wederom hangt het van de graad van bewustzijn en de omvang van de opstandingservaring, de mate van belangrijkheid van de ingewijde individualiteiten af; en wel niet alleen in termen van het stadium van de inwijding, maar met name ook in termen van hun geestelijke werkingsmogelijkheden. Want zoals de ervaring van de kruisiging de mens niet alleen de grootste zekerheid omtrent het weten over het geheim van het mens-zijn geeft, maar ook de innerlijk berechtiging om dit weten in de vorm van een leer ter oriëntatie voor anderen te plaatsen – zo verlenen de stadia van de graflegging en de opstanding geestelijke werkingskrachten die de vervulling van nog hogere  taken dan de oriënterende verkondiging mogelijk maken.
            De mogelijkheid van de zwijgende geestelijke werking, in de zin van de impulsering van alles wat goed is in de mensheid, komt tot bloei vanuit de ervaring van het onderduiken in de wereld-middernachtssfeer. Want in die sfeer – welke voor zowel het uiterlijke alsook het innerlijke oog donker is, welke zowel voor het uiterlijke alsook het innerlijke oor zwijgend is – geschiedt het doordrenkt worden van de ziel met de "donkere bliksem" en "zwijgende donder" van het Wereldgericht, het Laatste oordeel. Wat daar wordt ervaren kan geen mens, die van fysieke hersenen gebruik moet maken, anders dan alleen in de vorm van volkomen paradoxen, niet alleen weergeven maar ook niet voor zichzelf in het voorstellende en logische denken vertalen. Daarom wordt van deze vertaling in de regel afgezien. Niet een hoeveelheid kennis die het aardse dagbewustzijn te verrijken heeft, wordt vanuit de wereld-middernachtssfeer door het van daaruit weer opduikende bewustzijn in de aardewereld naar beneden teruggebracht, maar de kracht die vanwege het doorbliksemd en doordonderd zijn van de ziel door de Vaderkrachten van het Wereldgericht in de ziel wordt opgewekt.[1]  Een stuk van de oerkracht uit de wereldscheppersgrond van het bestaan brengt de ziel dan mee, en die kracht stelt haar in staat om een soort werking in het moreel-geestelijke gebeuren op Aarde te ontplooien die overeenkomt met de "geestelijk-karmische leiding van de mensheid".

Nu moet op dit punt de beschouwing van de "stadia van de Lijdensweg" worden afgesloten. Maar voordat dit gebeurt zou een vergelijkbaar overzicht van de stadia van de kruisdraging, kruisiging, graflegging en opstanding te geven zijn, zoals er voor de stadia van voetwassing, geseling en doornenkroning aan het einde van de voorafgaande beschouwing gegeven werd. Ditmaal kan deze samenvatting echter slechts in de vorm van een beeld worden gegeven. En wel is dat het beeld van het Rozenkruis, dat niet alleen de hogere stadia van de "Lijdensweg", maar eigenlijk ook de hele voorbereiding tot deze weg, d.w.z. het gehele proces van de christelijke inwijding samenvat. Want het is het teken van het "smalle pad" van het offer en de op deze weg opbloeiende opstandingskrachten. Dood en opstanding zijn de twee basismotieven van de christelijke geestesweg – en in het symbool van het Rozenkruis zijn beide tot een eenheid verbonden. Zo moge het zwarte kruis met de lichtende rode rozen al het hier over de christelijke inwijding te berde gebrachte samenvatten. Moge het – al zij het maar voor een moment – als een waarmerk, een herkenningsteken  van de gestrenge geestelijke wereld voor het geestesoog van de lezer staan, en tegelijkertijd als een Paasgroet van de schrijver aan de lezer!

De laatste twee beschouwingen over het Nieuwe Testament zullen aan het mysterie van Golgotha en aan het Pinkstergebeuren gewijd worden.



[1]De hier aangeduide ervaring van de passage door de wereld-middernachtssfeer als een innerlijke ontmoeting met het Vaderprincipe kan in strijd lijken te staan met de feiten die in de 5de en 6de  voordracht van de cyclus "Innerlijk weten van de mens en het leven tussen dood en wedergeboorte" van Rudolf Steiner (Wenen, mei 1914, GA 153) te vinden zijn, waarin de bewustwording van de wereld-middernachtssfeer als met het geestelijk principe in verband staand beschreven wordt. Een tegenspreek is echter in werkelijkheid niet aanwezig. Want God-de-Geest is in die sfeer de bron van het wakker houden van het bewustzijn, terwijl datgene wat dat bewustzijn ervaart de heerschappij van God-de-Vader is.

woensdag 13 maart 2019

Aankondiging 7de lezing “De tekenen en wonderen van Christus Jezus volgens het Johannesevangelie” op 17 maart in het Ita Wegmanhuis te Amsterdam in het kader "Gods Rijk op Aarde realiseren - De antroposofische beweging als het Nieuwe Christendom"


Is het wegens de bar slechte reputatie die het werk en de persoon Valentin Tomberg door het euvele smaadschrift "Der Fall Tomberg" van wijlen bestuurslid van de Algemene Antroposofische Vereniging in Dornach, Sergej Prokofieff heeft gekregen - hij zou een Jezuïtische verrader van de antroposofie zijn en de Antroposofische Vereniging noch de Katholieke Kerk een goede dienst hebben bewezen - dat antroposofen het massaal laten afweten om deze lopende lezingenreeks van de 12 hoofdstukken uit het magistrale werk "Antroposofische beschouwingen over het Nieuwe Testament" van Valentin Tomberg in het kader van “Gods Rijk op Aarde realiseren – De antroposofische beweging als het Nieuwe Christendom” door de vertaler Robert Jan Kelder een bezoek waardig te achten? Wie zal het zeggen?

Dat ook orthodoxe christenen het laten afweten om de bij de 5de lezing begonnen herdoop van onze hoofdstad van een Grijs tot Wit magisch centrum van het christelijk-hermetisme bij te wonen, is echter niet zo vreemd, gezien de vooroordelen die daar immers nog steeds heersen over alles wat maar enigszins naar magie en occultisme riekt.  Daar zijn genoeg voorbeelden van. Zo kon gisteren in de reportage “Monique Le Grand wilde een heksenkring opzetten in Ermelo en Harderwijk, tot er voor haar gewaarschuwd werd vanaf de kansel” in de Verdieping van het dagblad Trouw de uitlatingen gelezen worden van ene Ria Adam (60) die “de afgelopen maanden bad tegen de komst van de natuurheks. Ze vroeg ook om gebed op de Facebookpagina ‘Christenen in Nederland’, dat gaf God haar in […], ‘Ik wilde mensen waarschuwen. Alleen bij God vind je het leven, niet in de witte magie.’”

Hoe dan ook, voor degenen die hun negatief oordeel wellicht eens willen heroverwegen aan de hand van een oorspronkelijke tekst, maar ook voor alle vrienden van de antroposofie en onbevooroordeelde christenen die nog nooit iets van Valentin Tomberg gehoord of gelezen hebben en er voor open staan, is in de bijlage onderaan deel 3 "De zeven beden van het Onze Vader als de weg naar een nieuwe lotsverhouding tot God de Vader" uit het 6de hoofdstuk van deze Beschouwingen te lezen, dat vorige zondagmiddag, 10 maart voor een klein, maar trouw gezelschap in de Grote Zaal van het Ita Wegmanhuis ten gehoor werd gebracht. (Deze tekst veronderstelt wel een basiskennis van de antroposofie over de wezensdelen van de mens als lichaam,ziel en geest en het kosmisch ontstaan en ontwikkeling van de aarde, die in de basiswerken “Theosofie” en “ De Wetenschap van de geheimen der ziel” van Rudolf Steiner te verschaffen is.)

Dit bestand begint met een beschouwing over de ontwikkeling van het begrip nadenken via het begrip meditatie naar dat van de bede en vormt als zodanig een verdiepende aanvulling op de aankondiging in het maandblad Motief van deze maand "Mediteren, waarom zou je?" van Jaap van de Weg voor de "Dag over meditatie" dat voor de derde keer de Antroposofische Vereniging in Nederland  organiseert over dat actuele onderwerp. Daarna gaat dit bestand over naar een inspirerende beschouwing van wat je "Het Onze Vader 2.0" zou kunnen noemen, daar het een grote vertaalslag van deze 7 beden maakt van het bewustzijnsniveau van de verstands- of gemoedsziel uit de tijd dat Jezus Christus "Het Onze Vader" de mensheid toevertrouwde tot het kritische bewustszijnszielentijdperk van de huidige mensheid.

Op zondagmiddag 17 maart zal vervolgens het 7de hoofdstuk "De tekenen en wonderen van Christus Jezus volgens het Johannes-evangelie" ten gehoor worden gebracht, voorafgegaan door een inleiding en commentaar op de verdere poging om aan de hand van dit werk van Valentin Tomberg, die door spreker als de gereïncarneerde Hermes Tresmegistos, de stichter van de oer-oude Egyptische beschaving werd voorgesteld, ondersteund door de grafiek "Ons kosmisch systeem" van Willy Conrad, dat in één opslag alle geheimen van de wetenschap van de ziel prijsgeeft, een beursbanner van het beeldhouwwerk "De mensheidsrepresentant" van Rudolf Steiner en een deeltentoonstelling van de "Deugden - Krachten van het Nieuwe Christendom" van de schrijver Herbert Witzenmann en de kunstschilder Jan de Kok, om dus aan de hand daarvan onze keizerlijke hoofdstad van een Grijs tot een Wit magisch centrum van het christelijk-hermetisme te herdopen. Wellicht zal reeds dan en daar een proefexemplaar 0.1. van "De Godsvriend -Orgaan van de Willehalm Ridderorde van het Woord (i.o.)", dat verleden zondag werd aangekondigd, het daglicht al zien.

Voor de datums van deze en de nog 5 volgende voorlezingen, die apart bezocht kunnen worden, en voor aankondigingen en berichten van de vorige afleveringen, zie onderaan en de rest van deze blog "Het Nieuwe Christendom". Toegang is gratis, wel is een vrije bijdrage van € 10,00 ter dekking van de onkosten gewenst. Voor tee, koffie en/of limonade voor deze door sommige als marathon ondervonden lezingen wordt gezorgd. De slag bij Marathon onder aanvoering van de Atheense krijgsheer en staatsman Miltiades werd echter tegen de grote overmacht van het Perzisch leger gewonnen, doordat de Grieken geïnspireerd werden, zo verteld Rudolf Steiner, door de machtige impuls van de Griekse mysteriën.

Moge de impuls van de door Rudolf Steiner opnieuw opgerichte en door Valentin Tomberg verdiepte mysteriewijsheid, de antroposofie, de nodige kracht en wijsheid verlenen om de doop en verdere bloei en groei van Amsterdam met de haar door Koningin Wilhelmina verleende motto's "Heldhaftig, Standvastig en Barmhartig" op haar keizerlijk wapen als Wit magisch centrum geleidelijk aan te voltooien!

* * *

Programma:

VII. Zondag 17 maart: De tekenen en wonderen van Christus Jezus naar het Johannes-Evangelie 
VIII. Zondag 24 maart:  De genezing van de blindgeborene en de opwekking van Lazarus
IX. Zondag 31 maart:     De Lijdensweg
X. Zondag 7 april:          De hogere treden  van de Lijdensweg
XI. Zondag 26 mei:        Het Mysterie van Golgotha
XII. Zondag 2 juni:        De Pinkstergebeurtenis

Locatie en tijd: Grote zaal van het ITA Wegmanhuis, Weteringschans 74, 1017 XR Amsterdam van 14:30-18:00 uur
Informatie: Willehalm Stichting, Kerkstraat 386a, 1017 JB Amsterdam; info@willehalm.nl; Tel. 06-23559564; 020-6944572
Toegang: Gratis, aanmelding is niet nodig; vrijwillige donatie gewenst (richtbedrag ± 10 Euro)
Noot: Alle hoofdstukken zijn als werkvertaling na te lezen op: http://jezus-van-nazareth.blogspot.nl


Bijlage:

3. De zeven beden van het Onze Vader als de
weg naar een nieuwe lotsverhouding tot God de Vader[1]


Noot vooraf: Onderstaande tekst is deel 3 van het 6de hoofdstuk “Het Onze Vader als een weg tot lotsverbinding met God De Vader” uit “Antroposofische beschouwingen over het Nieuwe Testament” van Valentin Tomberg, waarvan alle 12 hoofdstukken hier na te lezen zijn. Zoals al gezegd, veronderstelt deze tekst een basiskennis van de antroposofie van Rudolf Steiner die te verschaffen is in zijn basiswerken "Theosofie" en "De wetenschap van de geheimen der ziel" 

Het behoort tot de echt moeilijke taken van de huidige tijd om tegenover hen die door de geesteswetenschap onberoerd gebleven zijn, het verschil tussen nadenken, reflectie en meditatie duidelijk te maken. Dit wordt in het bijzonder bemoeilijkt doordat enerzijds de meditatie als gevolg van een dieper nadenken zich voordoet, maar dat zij anderzijds in bepaalde opzichten van het nadenken niet alleen verschilt, maar daaraan ook tegengesteld is. Want terwijl het bij het gewone denken erom gaat een uniek inzicht in het onderwerp van de overdenking te verkrijgen, gaat het bij meditatie om een herhaalde onderdompeling in een zodanig inzicht. Het denken stopt op het punt waar het iets ontdekt heeft – voor het zich nog langer bezig houden met het reeds gekende vindt het geen aanleiding. Dit is echter het punt waarop de meditatie kan beginnen. Want de aanleiding tot meditatie ligt niet in het verkrijgen van een nieuwe kennis, maar in de mogelijkheid om in de reeds verworven kennis te leven.
            Niet het vinden van een nieuwe gedachte-inhoud is de beweegrede tot meditatie, maar het onderbrengen van deze inhoud in het voelen en in het willen. De waarheidsinhoud tot inhoud van de hele mens te maken – dit is het doel van de meditatie, die zo lang wordt volgehouden als het nodig is om de heldere gedachte-inhoud tot heldere kracht-inhoud van de wil te transformeren. Daarom is meditatie een oefening, terwijl het nadenken een eenmalige doelhandeling is.
            Maar nu gebeurt er met de meditatie in de loop van haar ontwikkeling een soortgelijke metamorfose, als in de loop van de ontwikkeling van het nadenken dat tot meditatie wordt. Zoals het tot inzicht gekomen nadenken op dit punt ofwel kan stoppen ofwel zich kan omzetten in het beoefenen van meditatie, zo kan een tot de wilsdoorlichting voorgedrongen meditatie ofwel op dit punt ophouden, ofwel zich in een andere, hogere activiteit transformeren. Deze hogere activiteit die uit de meditatie – als haar hoger stadium – tot bloei kan komen, knoopt aan bij het punt waar de oorspronkelijke beweegreden tot meditatie zichzelf heeft uitgeput. Want wanneer het doel van de meditant erin bestaat om zich volledig met een inhoud te doordringen, dan kan zich eenmaal het moment voordoen waarop de meditant weet: de gedachte vervult mijn hele wezen.
            Dit moment kan echter tegelijkertijd de beweegrede tot een verdere activiteit baren. Want doordat de inhoud van de meditatie de wil doordringt, wordt deze tot een aan de wereld gewijde wil. Deze toewijding van de wil aan de wereld brengt ook de eis met zich mee naar de activiteit ervan ten bate van de wereld. Was de beweegreden van de meditatie tot dan toe de bekrachtiging van de heldere en goede krachten van de eigen ziel, nu wordt ze tot de wil om tot de bekrachtiging van het goede en het heldere in de wereld bij te dragen. De herhaalde oefening van de krachten van de ziel wordt als gevolg daarvan tot een herhaalde uitoefening van deze krachten. Daarbij is er geen sprake meer van dat er iets voor de eigen ontwikkeling wordt gedaan, maar gaat het er met name om dat er iets noodzakelijks in de wereld geschiede. Meditatie wordt daarmee tot een bewuste deelname aan het objectieve wereldgebeuren.
            De vraag naar wezen en oorsprong van het Godsbegrip kan bv. tot een veelzijdige en diepe overdenking aanleiding geven. Zo kan de sedert oertijden als een zegelafdruk in het bewustzijn van de mensheid ingeprente "Naam van de Vader" tot onderwerp van meditatie worden. Deze meditatie verheft zich echter tot deelname aan een geestelijk gebeuren, wanneer de mens de krachten van zijn denken, voelen en willen laat instromen in de zin: Uw Naam worde geheiligd. Dan komt het noch op de vraag: wat is de naam aan, noch alleen op de oefening ten behoeve van scholing; maar komt het er op aan dat de naam van de Vader geheiligd worde.
            Een dergelijke in naam van de mensheid volbrachte uitstroom van denk-, gevoels- en wilskracht van de mens geschiedt vanuit een levende verbintenis met een hogere wezensdeel van de mens dan de wezensdelen die als tot de ziel behorend worden aangeduid. Want het nadenken dat zich van het logisch denkvermogen bedient, is een activiteit die door de verstandsziel mogelijk wordt gemaakt. Wordt het nadenken tot meditatie, in de zin van een zich steeds intensievere bewustwording van het reeds gekende, dan is bij de meditatieve inspanning de bewustzijnsziel actief; maar wanneer de meditatie het stadium bereikt van deelname aan het macrokosmische gebeuren, dan treedt in de geestelijke activiteit van de mens het geestzelf (Manas) op. Dit laatste uit zich in het feit dat de mens zijn krachten aan de wereldaangelegenheden toewijdt.
            Van de wereldaangelegenheden, waaraan de mens zich kan wijden, komt hem allereerst als het belangrijkste voor om de vervreemding van hemel en aarde tegen te gaan, doordat hij ernaar kan streven om een verbinding tussen beide rijken te scheppen. Dit is de eerste opgave van het vrije menselijke Ik: een vrije schakel tussen hemel en aarde te worden.
            Nu is het Ik datgene wat de oereigenste wezensgesteldheid van de mens inhoudt. Het Ik van de mens is zijn ware naam in de kosmos. Deze naam kan alleen de mens in kwestie uitspreken (een feit waar Rudolf Steiner enkele malen in verschillende contexten op heeft gewezen). Geen mens kan tegenover de ander "Ik" zeggen; dit woord heeft alleen betekenis en belang wanneer het uit de mond van de betrokken mens zelf vernomen wordt. Deze onzinnigheid van het oereigen naamgebruik van de ene mens tegenover de andere is tegelijk uitdrukking van de onschendbaarheid van het innerlijke heiligdom, van de vrijheid, van het Ik. De uitspreekbaarheid van de "naam" van een ander mens is de alleruiterlijkste zintuiglijk waarneembare uitdrukking van het feit van het beschermd-zijn van deze naam, als het oereigendom van de mens, tegen misbruik – d.w.z. tegen de verkrachting van zijn vrijheid. Dat het heiligdom van de menselijke naam geheiligd wordt – daar wordt door het wereldkarma voor gezorgd, zolang de mens zelf zijn "naam" niet verraadt, d.w.z. vrijheid niet zelf opgeeft en zich voor een andere macht bewust buigt (Lucas 4:7).
            Zoals de menselijk "naam" alleen door de betreffende mens zelf "uitgesproken" kan worden, zo kan de "Naam" van God de Vader door niemand in de bovenstaande zin "uitgesproken" worden. Want de individualiteiten van de wezens van de wereld zijn uit de Vaderwezenheid ontstaan, zodat de Vaderwezenheid voor alle wezens transsubjectief is, d.w.z. dat het achter het individuele subject staat. En doordat de individualiteiten van die wezens er zijn, spreekt de Vaderwezenheid hun "namen" zelf uit. De enkele individualiteiten zijn "letters" waardoor het "woord" van de gesproken Naam van de Vader tot uitdrukking komt. En de gezamenlijkheid van de menselijke individualiteiten betekenen de Naam van de Vader, zoals Hij zich door de menselijke hiërarchie in de wereld manifesteert. Daarom zegt de eerste bede van het Onze Vader volgens haar inhoud: "Geheiligd worde de vrijheid van alle individualiteiten van de mensheid, zoals de vrijheid van de individuele persoonlijkheden geheiligd is, want de vrijheid van het individu (zijn "naam") heeft slechts zin en betekenis wanneer ze in de grote Vrijheidsnaam van de mensheid, dat is de Naam van de Vader, meeklinkt" –
            "Uw Naam worde geheiligd" is dus de bede om de verwezenlijking van de hiërarchie van de vrijheid als geheel; Het is de bede om de grote samenklank van de vele namen in de ene Naam van de Vader, welke geen louter som van individuele namen is, maar een openbaring van de Vader door de samenklank van alle wezens van de menselijke hiërarchie. En er mag – in de zin van deze bede – van dit koor geen enkel wezen verloren gaan, want dan zou de openbaring van de grote Naam onvolledig zijn. Geheiligd dient de grote Naam van de Vader te worden – en daarmee ook alle individuele persoonlijkheden, toegevoegd als die zijn aan de geheiligde, d.w.z. onaantastbare en beschermde Al-vereniging in de Naam van de Vader.
            Het streven naar deze Al-vereniging is de wezensopenbaring van het geestzelf of Manas in de mens, d.w.z. van de drager van de missie van het Ik, van zijn ware individuele "naam", van incarnatie tot incarnatie. Het geestzelf is eigenlijk dat wezensdeel van de mens dat ernaar streeft om de in de wereldharmonie begrepen toon van de individualiteit tot gelding te brengen.
            Nu zou deze toon tot zijn recht gekomen zijn, wanneer ze niet door een valse toon, een verkeerde naam tegengewerkt zou zijn. Want zoals het geestzelf op de harmonie van de individualiteit met de kosmos is ingesteld, zo is het Luciferisch persoonlijkheidsprincipe in het astraallichaam op een eigen toon ingesteld, die met de wereldharmonie geen rekening houdt. Ten gevolge van deze Luciferische inslag ontstaat de kakofonie, de dissonantie in de menselijke hiërarchie.
            Alle versplintering van de mensheid geschiedt als gevolg van deze "valse naam" van de mens, die uit het principe van het egoïsme ontstaan is. En tegen die versnippering van de mensheid, tegen de valse vrijheid van het egoïsme, is de bede van het Onze Vader gericht: "Uw Naam worde geheiligd" – aan welke bede de vaststelling ten grondslag ligt dat de heiliging van de Naam van de Vader de heiliging van elke individuele ware naam beduidt, maar dat de ware naam van het individuele wezen alleen tot gelding kan komen, doordat de mens de "naam", de innerlijke vrijheid, van ieder ander mens als even heilig beschouwt als zijn naam geheiligd is, want alle "namen" zijn uitdrukkingstekens van de Naam van de Vader.
            Zo ligt aan de eerste bede van het Onze Vader het weegschaalprincipe ten grondslag. Men zou dus bij de bede: "Uw Naam worde geheiligd", de woorden: "zoals wij de namen van de mensen heiligen" innerlijk erbij kunnen denken. Dit erbij te denkende deel van de bede geeft de innerlijke rechtvaardiging voor de bede. Want alleen het heilig houden van de innerlijke vrijheidsbron in de andere mens geeft de mens het recht de bede uit te spreken, dat door deze vrijheidsbron van alle mensen de Vader Zich openbare en ze allen heilige, doordat Zijn Naam zelf geheiligd worde.
            Maar in tegenstelling tot bv. de vijfde bede van het Onze Vader, waar het gerechtvaardigde deel van de bede wel wordt uitgesproken, blijft dit deel in de eerste bede onuitgesproken. De reden voor dit zwijgen kan uiteraard worden ingezien, wanneer men bedenkt dat het Onze Vader enerzijds in een bepaalde ontwikkelingstijdperk van de mensheid gegeven werd, maar dat het anderzijds niet alleen voor dat ontwikkelingstijdperk bedoeld was. Kan dan over dat ontwikkelingsstadium naar de vrijheid dat in het vierde tijdperk werd bereikt, zelfs ook over het huidige ontwikkelingsstadium van, in exoterisch-algemene zin gezegd worden: "zoals wij de naam van de mens heiligen"? Werd destijds – en wordt vandaag de dag – de onaantastbaarheid van de menselijke innerlijke vrijheid zo hoog gewaardeerd dat zulk een woord met het werkelijke ontwikkelingsstadium van de mensheid overeenkwam en ook nu nog overeenkomt? – De onuitgesproken delen van het Onze Vader zullen verklinken – geleidelijk aan – wanneer de mensheid het overeenkomstige stadium van spirituele ontwikkeling zal hebben bereikt. En gedurende het zesde tijdperk (van "Filadelfia" uit de Openbaringen) zal de Manas-bede van het Onze Vader ook in haar onuitgesproken deel voor het bewustzijn van een bredere kring van de mensheid klinken.

Ligt de essentie van het streven van het geestzelf in de bede om de geheiligde Al-vereniging van alle mensen, de essentie van het streven van de levensgeest (Buddhi) gaat in die richting verder. Daarbij gaat het niet alleen om de verwezenlijking van de eenheid van de menselijke hiërarchie, maar vooral om de verwezenlijking van de missie van deze verenigde menselijke hiërarchie ten opzichte van andere wezens. Want er zijn in de wereld wezens die van de mensheid afhankelijk zijn. Dat zijn de wezens die door het totaalbegrip "de natuur" worden samengevat. De afhankelijkheid van de natuurrijken van de mensheid bestaat hieruit dat de natuur weliswaar aan zog. "natuurwetten" onderworpen is, maar dat de morele wet alleen in het innerlijk van de mens geldt, terwijl de Natuur daarvan is uitgesloten.
            Dit feit en de daaruit voor de mensheid voortvloeiende opgaven en plichten werden reeds in de vorige beschouwing (in verband met de spreuk "Het zout der aarde") besproken; datgene waar het hier op aankomt is een verdere stap te zetten, in de zin van een dieper en nauwkeuriger begrip van deze opgaven en plichten. En wel komt het daarbij in eerste instantie erop aan dat men de fasen van het verlossingswerk van de natuur door de mensheid nader gaat bezien.
            De eerste van deze fasen is het inzicht van de tot gewetensziel uitgegroeide bewustzijnsziel in de samenhang tussen de toestand van de natuur als decadente menselijkheid en de menselijke zondeval; daarop volgt als verdere stap de verwerkelijking van de verbinding van de natuur met het moreel-geestelijke door de Manas-dragende mensheid.
            Maar deze verbinding, die door het toevoegen van het "zout der aarde", de morele ether, verwerkelijkt zal worden, betekent nog niet de verlossing van de natuur. Dit laatste is aan het toekomstige Venus-bestaan van de aardeontwikkeling voorbehouden, wanneer het Buddhi- of het levensgeestprincipe van de mensheid volledig ontplooid zal zijn. Dan zal de van de menselijke morele kracht afkomstige straling niet alleen richtinggevend voor de natuur zijn, maar ze zal de natuurwezens zelf van morele levenskracht voorzien. De natuur zal dan niet alleen geleid worden, doordat ze de mensen vol vertrouwen zal volgen, maar ze zal zelf in het bezit van eigen morele krachten komen. Dan zullen bv. de nakomelingen van het aardse plantenrijk niet meer volgens "organische", maar volgens morele wetten, door groei hun vorm bestemmen. Er zullen daar niet meer soorten van bv. fanerogame [zaaddragende] en cryptogame [niet zaaddragende] wortelgewassen en van bladdragende en bladloze of wortelloze planten zijn, maar imaginatief-bewegende gestalten van  bv. goedheid, dankbaarheid, deemoed, enz., welke in klankvolle openbaring tot bloei komen.
            Het rijk van de natuur zal dan tot een wezenlijk ander rijk worden. Het zal zich moreel oprichten en een zelfstandige relatie met het Rijk der hemelen verkrijgen, en dan niet in de zin van een geharde weerspiegeling van het kosmische verleden, maar in de zin van een tegenwoordige reactie op de geestelijke gebeurtenissen in de hemelen. De natuur zal dan uit haar slaap ontwaken, d.w.z. ze zal niet langer op droomherinneringen uit het verleden aangewezen zijn, maar in de geestelijke tegenwoordigheid worden geplaatst. Het Rijk van de Vader zal tegenwoordig worden. De bede die het wezenlijke streven van de levensgeest, van het Buddhi, tot uitdrukking brengt: "Uw Rijk kome" is de bede om het tegenwoordig worden van het Rijk der Hemelen in de natuur.
            Opdat deze bede echter ook gerechtvaardigd zij, moet ze iets bevatten – zij het ook onuitgesproken – dat op de andere schaal van de weegschaal kan worden geplaatst.
            Indien de natuur in een andere relatie tot de Godheid dient te komen, dan zou uiteraard ook de mensheid iets vanuit zichzelf gedaan moeten hebben, opdat een dergelijke verandering geschiedde. Want als de bede daaruit bestaat dat de natuur van de banden van het verleden bevrijd worde en het Rijk der Hemelen tegenwoordig worde, dan zou van de kant van de mensheid, in haar verhouding tot de tijd, iets moeten geschieden dat met de verandering in de verhouding van de natuur tot de tijd overeenkomt.
            Opdat de natuur de tegenwoordigheid van het Rijk verleend worde (d.w.z. met andere woorden dat de ziel van de natuur ontwake, want de tegenwoordigheid is het principe van de ziel, zoals de toekomst het principe van de geest is en het verleden dat van het lichaam), heeft de mensheid zelf van de tegenwoordigheid af te zien en de toekomst te leven. Dit is de wezensaard van het Buddhi-bewustzijn: al het tegenwoordige wordt aan de omgeving weggegeven, terwijl de mens zelf alleen van en voor de toekomst leeft. En doordat het Buddhi-bewustzijn in de mensheid geldend zal worden, zal de mensheid haar ziel in de natuur doen uitstromen, terwijl ze zelf aan de geest zal zijn toegewijd.
            Van het tegenwoordige zal ze afzien ten gunste van de natuur en zelf zal ze aan de voorbereiding en verwerkelijking van de toekomst gewijd zijn. In die zin zou de tweede bede van het Onze Vader als geheel ongeveer op de volgende wijze opgevat kunnen worden: "Uw Rijk worde tegenwoordig, zoals wij de toekomst leven. Verlosse de natuur van de banden met het rijk van het verleden en schenke haar de tegenwoordigheid van Uw Rijk, zoals wij afzien van het tegenwoordige rijk en ons aan het Rijk van de toekomst wijden".
            Nu is echter toewijding aan de toekomst in wezen het leven voor de doelstellingen van de toekomst, die de mens in zijn wil opneemt. Dan leeft hij in zijn wil de toekomst vooruit, terwijl hij zijn hart aan de omgeving wijdt. Deze toestand van bewustzijn is de toestand van zijn kruisiging. De kruisiging is de opofferende toewijding van de hartekrachten – d.w.z., die van het heden – aan de omgeving, terwijl de wil zich tot in de verre toekomst uitstrekt. De bede van de komst van het Rijk bevat om deze reden steeds een zekere mate van kruisiging van het menselijk bewustzijn. En de mate van zijn kruisiging is ook bepalend voor de mate van gerechtvaardigdheid en daarmee van de werkzaamheid van de bede.

De offerdaad van het menselijk bewustzijn kan echter nog verder gaan dan het afstand doen van het tegenwoordige. Het kan het ook van de wil van de toekomst afzien. Dan is het offer een volledig offer, van het bewustzijn blijft niets over – zelfs zijn bestaan wordt dan twijfelachtig. Volbrengt het bewustzijn deze hoogste offerdaad, dan gaat het door de doodervaring heen. En het wonder van zijn opstanding, hetwelk daarop volgen kan, is de daad van God de Vader die de openbaring van de realiteit van de geestmens (Atma) veroorzaakt.
            De bede "Uw wil geschiede op aarde, zoals ook in de hemel" is het afstand doen van de wil, maar het is tegelijk de overdracht van deze wil aan de wezens van het lagere rijk.
            Zoals de volledige verwerkelijking van de tweede bede aan het toekomstige Venus-bestaan wordt voorbehouden, zo wordt de volledige verwerkelijking van de derde bede aan het toekomstige Vulcanus-bestaan voorbehouden. Want het is een letterlijke, vooral in het bijzonder voor het Onze Vader geldende waarheid, die door de woorden: "Hemel en aarde zullen voorbij gaan, maar mijn woorden zullen geenszins voorbijgaan" werd aangekondigd.
            Aldus hebben de woorden van de derde bede geldigheid tot in de Vulcanus-periode van ontwikkeling van de mensheid. En deze geldigheid zal zich in deze periode vooral bewijzen doordat, als gevolg van de opofferende dood en opstanding van het gevorderde stadium van de mensheid, het lagere, achtergebleven mensenrijk zal worden verlost. Dan zal het binnenste van de aarde zelf, de kern van het kwaad, worden getransformeerd, en de wil van de Vader zal letterlijk op aarde geschieden zoals die in de hemel geschiedt.
            De eerste drie beden van het Onze Vader bevatten dus, als hun innerlijke rechtvaardiging, het afstand doen van het eigen denken, d.w.z. van de eigen naamgeving, van het voelen en het willen. En daarbij is het afstand doen van het eigen denken de voorwaarde voor de Manas-bede; het afstand doen van het eigen voelen is verbonden met de Buddhi-bede en het afstand doen van het eigen willen is bevat in de Atma-bede van het Onze Vader.

De laatste bede omvat niet alleen de mensheid en de natuur, maar ook de ondernatuur, d.w.z. ook datgene wat tegenwoordig vanuit het binnenste van de aarde in de zin van het kwaad aan het aardoppervlak naar boven werkt. Deze werking is aan het aardoppervlak in alles wat stoffelijk is tegenwoordig.
            Nu is echter ook de verticaal gerichte, al het stoffelijke doordringende Vaderwerking eveneens in al het stoffelijke aanwezig. Het brood dat wij eten kan dus de drager van zowel de ene als de andere werking zijn. Het kan enerzijds de werking van het sacrament van het Avondmaal, van de Communie zijn, het kan echter anderzijds als middel tot bv. verduistering van het bewustzijn dienen dat miljoenen mensen tot een gemeenschap van haat, die het "dagelijks brood" op zijn banier draagt, verenigt.
            Er is nauwelijks een misdaad die niet in naam van het dagelijks brood zou zijn gepleegd; er is echter in de fysieke wereld niets heiligers, en in diepste zin ook niets dat meer heiligend werkt dan het brood van de Communie.
            Deze dubbele betekenis van het brood was de onderliggende oorzaak van de twee verschillende interpretaties van de vierde bede van het Onze Vader. Want er waren in de eerste eeuwen van de christelijke jaartelling twee leeswijzen van deze bede: "Geef ons heden ons substantiële brood (ton arton hemon ton epiusion-panem substantionalem )" Maar het gaat niet om de leeswijze, maar dat men begrijpt dat in het brood zelf twee werkingsrijken elkaar ontmoeten. En met name komt het erop aan dat het van de mens afhangt met welk rijk hij door het brood in een verhouding tot de Communie komt te staan.
            Want de betekenis van de vierde bede, als verzoek, bestaat juist in het feit dat ons brood uit handen van de Vader tegenwoordig ("vandaag") ontvangen wordt. Het gaat dus bij deze bede om de instelling van het menselijk bewustzijn op de Vaderwerking in het brood als fysieke substantie. Het gaat ook niet om een louter symbolisch "brood", noch om de louter symbolische voedingsstof. Want voeding is datgene wat nodig is voor het leven in een fysiek lichaam op aarde – maar het is niet alleen nodig opdat de mens leve, maar ook opdat hij als mens kan leven.
            Het fysieke lichaam is niet alleen een combinatie van stoffen, maar ook een krachtenstructuur van de morele wilskrachten van de wereld. En als zodanig heeft het enerzijds stoffen, anderzijds morele krachten nodig om niet alleen als louter fysieke structuur, maar ook als een op het geestelijk-psychische wezen van de mens gerichte organisatie behouden te blijven.
            Het lichaam van de mens leeft, als menselijk lichaam, in letterlijke zin "niet van brood alleen, maar van ieder woord dat uit de mond van God komt". In de diepste diepten van het onderbewustzijn klinkt het woord van God, het lichaam vormgevend en ondersteunend, zoals aan de andere kant in de diepten van de stofwisseling de processen van de assimilatie van voedingsstoffen voor de opbouw van het lichaam plaatsvinden. En feitelijk behoort tot het leven en handhaven van het lichaam zowel het ene als het andere.
            In het tegenwoordige moment ("vandaag de dag") dienen deze twee levensvoorwaarden van het lichaam in evenwicht te blijven. In de verleidingsscène in de woestijn werd het feit van de noodzaak van dit evenwicht door de woorden van de Christus Jezus uitgedrukt, toen Hij zei: "Niet van brood alleen leeft de mens, maar van ieder woord dat uit de mond van God komt".
            Daarmee is de vierde bede van het Onze Vader een uitdrukking van de noodzaak van dit evenwicht, een bede om dit evenwicht. Volgens haar innerlijke betekenis is deze bede de bede van de mensheid om dezelfde kracht die de Christus Jezus openbaarde bij de afwijzing van de verzoeking om stenen in brood om te zetten. Ze zou om die reden ook ongeveer op de volgende wijze begripsmatig kunnen worden uitgedrukt: "Geef ons in de tegenwoordige tijd het aardse brood, dat net zo met Uw werking is doordesemd als het hemelse woord met de werking van Uw wezen is doordesemd, waar we hongerend naar verlangen".

Heeft de vierde bede betrekking op de stofwisselings- en wilsprocessen in het fysieke lichaam, zo heeft de vijfde bede betrekking op het overeenkomstig innerlijk werkingsgebied van het etherlichaam. Want ook het etherlichaam heeft een soort van "stofwisselings-wilsorganisatie". Zijn "stofwisseling" manifesteert zich in zijn herinnerings­leven; de belevenissen uit het verleden leven in het etherlichaam verder en vullen hem evenzo als de voedingsstoffen het fysieke lichaam vullen. Zijn wilsactiviteit uit zich echter in de morele processen van "onthouden" en "vergeten", d.w.z. in het uitwissen van bepaalde belevenissen of, in tegendeel, in het versterken ervan.
            Zo draagt het etherlichaam in zich zowel ervaringen uit het verleden, die door koudestromingen verschrompeling veroorzaken, alsook zulke ervaringen die door warmtestralingen wezensgroei veroorzaken.
            De morele kant van "behouden" en "vergeten" in het etherlichaam bestaat vooral uit het feit dat ofwel de ziekmakende negatieve inhoud door de positieve, gezondmakende inhoud overstraald worden, ofwel dat de eerste de laatste overstralen. De mens kan in zijn levensloop daaraan niets meer veranderen; het verleden staat daar, onbeweeglijk en onveranderlijk, en haar schulden staan vast als pijlers. En juist omdat de mens daar direct niets aan kan veranderen, richt hij de vijfde bede van het Onze Vader tot God de Vader. Alleen doet hij dat niet in zijn eigen naam, vanwege alleen zijn persoonlijke schuld, maar in naam van de mensheid, vanwege de schuld van de mensheid.
            De inhoud van de bede is de hoop dat het negatieve verleden waaraan de mensheid lijdt, zal worden verwijderd. Dit uitwissen van het verleden, als een moreel-bewust "vergeten", is vergeving. De vergeving van de kant van de Vader kan echter alleen gebeuren in het geval dat op de menselijke, onderste schaal van de karmische weegschaal een tegenwaarde gelegd wordt. Zodoende is de voorwaarde voor de vergeving van onze schuld dat wij onze schuldenaren vergeven.
            Als de mens tegenover andere mensen het negatieve in morele zin leert te "vergeten" in zijn astrale wezen, waar het uiteraard in zijn macht ligt om de inhouden te veranderen, dan zal ook in zijn etherlichaam, waar hij geen macht heeft om iets te veranderen, zijn negatieve inhouden worden verwijderd. Wie in zijn astraallichaam de inhoud van de schuld van de ander astraal, d.w.z. als antipathie, uitwist, bij hem zullen ook overeenkomstig in zijn etherisch lichaam de inhouden van zijn schuld etherisch, d.w.z. als diepe ziekteoorzaken verwijderd worden.
            Nu gaat het echter bij de vijfde bede, zoals gezegd, niet alleen om individuele zaken, maar om al het individuele omvattende mensheidsaangelegenheden. Daarom wordt ook niet deze of gene schuld bedoeld wanneer er om vergeving gevraagd wordt, maar de schuld van de mensheid waar de individuele schulden uit volgen. Deze schuld van de mensheid is echter dezelfde schuld die als mogelijkheid bij de verzoeking in de woestijn tot de Christus Jezus naderde, namelijk om de aarde in bezit te nemen tegen de prijs van de aanbidding van de Heer van deze wereld. De Christus Jezus verwierp deze verzoeking; de mensheid echter was bij de oerverzoeking in het paradijs hiervoor gezwicht.
            De zogenaamde "erfzonde" is het resultaat van de oerschuld van de mensheid, die enerzijds heerser en meester van de Aarde werd, maar daarna in een afhankelijkheidsrelatie met de vorst van deze wereld verzeild raakte. De vergeving van de individuele schuld van andere mensen kan dus het effect hebben dat de niet individuele erfzonde in haar gevolgen wordt uitgedelgd. Want de bede sluit zich elke keer bij de stem van de Zoon aan, die steeds het voorbede-argument: "Vergeef hen, want zij wisten niet wat zij doen" aan de Vader voorlegt. Opdat dit geschiede werd de vijfde bede van het Onze Vader, het gebed van de genezing van de gevolgen van de erfzonde, door Christus Jezus voor de mensheid uitgesproken: "En vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren".

Terwijl het bij de vijfde bede om de vergeving van de algemene schuld gaat, de bede die haar rechtvaardiging vond in de vergeving door de enkeling van de individuele schulden van andere mensen naar hem toe, gaat het in de zesde bede juist om de eigen individuele schulden van de mensen. En wel in die zin gaat het daar om de individuele schulden van de mensen, in zover dat de bron, de mogelijkheid van een dergelijke schuldenlast het onderwerp van de bede is. Want de verzoeking is de oorzaak en het begin van een dergelijke schuldenlast.
            Nu is de tekst van de zesde bede een zodanige, dat men de indruk krijgt alsof God de Vader de mens zou proberen te verzoeken. Dat dit ondenkbaar is ligt voor de hand; dat echter de bede nog steeds luidt: "Leid ons niet in verzoeking" is eveneens een feit. De raadselachtigheid  van deze paradox lost zich op, wanneer men de verhouding van het kwaad tot God de Vader in de diepere zin opvat, waarin die bv. in het boek Job in het Oude Testament wordt weergegeven, of ook in Goethe’s Faust (Proloog in de hemel). Aan het kwaad wordt daar door God de Vader een termijn verleend, waarin de mens door het kwaad mag worden verleid, om beproefd te worden. Zulke termijnen zijn er daadwerkelijk, zowel in het leven van de individuele mens alsook in de loop van de geschiedenis van de mensheid. Zo is bv. wat men als het "Kali-Yuga" aanduidt een dergelijke termijn in de geschiedenis van de mensheid.
            Het "in verzoeking leiden" bestaat dus enerzijds hieruit, dat aan de verzoekende machten de mogelijkheid wordt verleend van buitenaf aan te treden; anderzijds bestaat ze echter uit het feit dat in het menselijke astraallichaam door de Luciferische invloed de natuurlijke neiging aanwezig is om aan de verzoeking ten prooi te vallen. Het menselijke Ik is uiteraard in een positie om niet aan deze neiging toe te geven. Dat het menselijke Ik tegen de innerlijke verleiding stand houdt, blijkt uit het feit dat het aan de macht van het goede en de waarheid – die niet als uiterlijke kracht, maar door zijn wezenheid zelf werkt – niet twijfelt. Want achter ieder grijpen naar uiterlijke machtsmiddelen en maatregelen (ook ten behoeve van het leiden van de mensen tot het goede) verschuilt zich de twijfel aan de onmiddellijke effectiviteit van het ware en het goede, d.w.z. het ongeloof in God. En dit gebrek aan geloof in de kracht van het ware en het goede, door de inhoud zelf ervan, uit zich met name in de eis dat deze macht zich uiterlijk dient te tonen.
            Het karma moest tijdens het Kali-Yuga als een geheim voor het bewustzijn van de Europese mensheid bewaard blijven, opdat deze mensheid de beproeving zou doorstaan en het geloof in het ware en het goede op zichzelf, niet echter omwille van de karmische gevolgen, zou leren en laten beproeven.
            En in de tijd dat de werking van de karmische vergelding verborgen was, naderde de verzoeking van het kwaad op zichtbare wijze tot de mensheid. Zo  ontstond de situatie van grote beproeving: het goede en het ware lijken tot louter menselijke "idealen" te zijn vervaagd, terwijl het kwaad met de donderstem van het natuurgeweld sprak. Wie echter in deze situatie het "ideaal" trouw bleef, d.w.z. door afstand te doen van elk extern "bewijs" van de macht van het goede, en in de onoverwinnelijkheid van waarheid en goedheid – wegens hun innerlijke waarde – te blijven geloven, die heeft daarmee ook de rechtvaardiging om de zesde bede, als zijnde de bede om de wederkerigheid van het vertrouwen tussen mens en God, uit te spreken. Want het niet uitgesproken rechtvaardigende deel van deze bede zou in de volgende woorden gedacht kunnen worden: "En leid ons niet in verzoeking, zoals wij  U niet verzoeken, doordat wij geen uiterlijke manifestatie van Uw kracht verwachten."
            Opnieuw vinden we in de verzoeking in de woestijn van Christus Jezus de sleutel tot een dieper begrip van deze bede: terwijl de verzoeker tot de Christus Jezus komt met de verzoeking om de werkelijkheid van het Goddelijke door een uiterlijk wonder (val van de tinne van de tempel) te bewijzen, wijst Christus Jezus de verzoeker terug met de woorden: "Er staat geschreven: 'Gij zult God, uw Heer, niet verzoeken'." En de rechtvaardiging voor de bede om verschoond te blijven van de verzoeking bestaat juist in dit afstand doen van de menselijke neiging om God te verzoeken, d.w.z. Hem niet als waarheid, maar als een de waarheid bewijzende en aantonende uiterlijke macht te willen zien.

Zoals de vierde, vijfde en zesde bede van het Onze Vader betrekking hebben op de drie verzoekingen in de woestijn, zo heeft de zevende bede betrekking op de grote beproeving die in de Gethsemane-nacht door de Christus Jezus werd doorstaan. Daarbij gaat het om het verzet van de objectieve werking van het oerkwaad tegenover de wereld, dat met het woord "euvel" (poneron) kan worden geïdentificeerd. Dit kwaad openbaart zich wat zijn wezen betreft in het geheel nog niet in het bewustzijn van de mens; het werkt slechts als verre kracht[2] door het ahrimanische wezen en manifesteert zich in zijn werking als een angstaanjagende, duistere kracht in het onderbewustzijn van het lichaam. In die zin is deze werking het volkomen tegendeel van het menselijke Ik. Want zoals het Ik het helderste punt in de lichamelijke organisatie van de mens veroorzaakt, zo veroorzaakt het euvel het punt van de grootste duisternis.
            Maar de mens die zich de moeite troost om het objectieve kwaad in de wereld al kennend te bestrijden, kan van het euvel worden verlost. De rechtvaardiging, d.w.z. de werkzaamheid van de bede: "maar verlos ons van het euvel" hangt af van de vraag of de mens het kwaad in de wereld tegenwerkt. Op die manier zou deze bede innerlijk op de volgende wijze aan te vullen zijn: "Maar verlos ons van het euvel, zoals wij tegen het kwaad van de wereld strijden."

Aldus is de geestelijk-morele opbouw van het Onze Vader zodanig, dat drie offers en vier manieren om de verzoeking te weerstaan, aan de zeven beden hun karmisch gewicht verlenen. De driehoek van de geest en het vierkant van de aardse persoonlijkheid die aan het Onze Vader ten grondslag liggen, zijn tegelijk uitdrukking van de offer- en weerstandsvaardigheid van de zevengelede mens. In overeenstemming met deze vaardigheden weegt de karmische weegschaal van het Nieuwe Verbond, waarvan de onderste schaal op de Aarde en de bovenste schaal in de handen van de Vader is.

* * *





[1] Bij de beide nu volgende delen wordt het werk van Rudolf Steiner "Das Vaterunser. Eine esoterische Betrachtung" (in "Das christliche Mysterium", GA 97) [vertaald als “Het Onze Vader” door Uitg. Pentagon] bij de lezer als bekend verondersteld. Andere werken die dit onderwerp in dezelfde richting behandelen zijn de auteur niet bekend.
[2] Meer hierover in de V. beschouwing van Deel 1, "Antroposofische beschouwingen over het Oude Testament"