Posts tonen met het label antroposofie. Alle posts tonen
Posts tonen met het label antroposofie. Alle posts tonen

maandag 18 maart 2019

Rembrandt als de blindgeborene uit het Nieuwe Testament? - Achtste lezing uit de reeks "Gods Rijk op Aarde realiseren” op 24 maart in het Ita Wegmanhuis





 Op zondagmiddag 24 maart  zal in het Ita Wegmanhuis het achtste hoofdstuk "De genezing van de blindgeborene  en de opwekking van Lazarus" uit het werk “Antroposofische beschouwingen over het Nieuwe Testament”  van Valentin Tomberg in het kader van “Gods Rijk op Aarde  realiseren – de antroposofische beweging als het Nieuwe Christendom” door de vertaler Robert Jan Kelder met een inleiding en commentaar ten gehore worden gebracht .

In de hervertaling van dit magistraal werk van Valentin Tomberg, dat Evert Jan de Groot digitaal ter beschikking stelde,  is er in dit achtste hoofdstuk een interessante voetnoot over de karmische achtergrond van de individualiteit van deze  door Christus Jezus genezen blindgeborene,  die De Groot schreef op de website van Munin Nederlander aangetroffen te hebben,  en die  luidt:

“Rudolf Steiner heeft over de schilder Rembrandt opmerkelijke dingen meegedeeld:
a) Rembrandt leefde ooit in Atlantis.

b) Hij reïncarneerde een paar decennia voor onze jaartelling als een Ierse prins. Helderziend schouwde hij Jezus’ geboorte, en toog als (enige) wijze uit het westen naar Palestina om de Heiland hulde te brengen. Maar hij werd onderweg gedood.

c) Door verlangen gedreven om de Heiland toch in levende lijve te ontmoeten, reïncarneerde Rembrandt terstond in Palestina. Maar als een blindgeborene! Aan zijn blindheid lag geen karmische fout ten grondslag. Hij ontbeerde het gezichtsvermogen om dat in een later leven versterkt te bezitten. Om de mensheid in dat leven als uitbeelder van de natuur, als schilder, iets bijzonders te tonen. Maar…, als blinde kon hij tot zijn teleurstelling Jezus Christus niet fysiek waarnemen, terwijl hij toch juist dáárvoor in Palestina was geïncarneerd!
d) Jezus geneest hem. En het eerste wat de geheelde dan met de extra nadruk van de overgang van blind zijn naar kunnen zien, waarneemt is de door hem gezochte Jezus! Een verpletterende ervaring, mede door Jezus’ verkondiging dat door hem, Rembrandt, Gods werken openbaar moesten worden (Joh. 9:3).

e) Deze mens reïncarneert tenslotte als Rembrandt en schildert door een speciale organisatie van zijn gezichtsvermogen mens en natuur clair-obscur, zoals de Atlantische mens zichzelf en de natuur waarnam vóór het grote, morele verval van die tijd. Hij schildert in feite een oude, vergeten wereldatmosfeer, nog zwanger van (ongezien) goddelijk leven,- opdat de mens die niet zou vergeten in de moderne tijd, waarin de wereldatmosfeer verschraalt lijkt.

f) En vele malen schildert Rembrandt Jezus als Atlantiër in een Atlantische atmosfeer."

Bij deze voetnoot  stond  echter geen link vermeld en de webmeester van de huidige website http://imagilogos.nl van  Munin Nederlander kon desgevraagd ook niet aangeven waar nu precies deze bronvermelding te achterhalen is. Eigen onderzoek op verschillende Duitse websites van de digitale Rudolf Steiner Gesamtausgabe leverde ook niets op en daarom is de titel van deze aankondiging vooralsnog van een vraagteken voorzien.

De volgende 9de en 10de  afleveringen op zondagmiddag op 31 maart en 7 april van deze reeks van 12 voorlezingen, die ook de herdoop van  Amsterdam als wit magisch centrum van het christelijk-hermetisme beogen, hebben in de aanloop naar Pasen, de veertigdagentijd,  als onderwerp De Lijdensweg van Christus. Ze zijn daarmee een vrije  bijdrage ter verdieping van het religieuze, uit Amerika overgewaaide  kunstproject  van kerkelijke en kunstinstellingen  in de binnenstad van Amsterdam  “Art Stations of the Cross: Troubled Waters” dat bestaat uit een route van 14 (plus 1) staties  van de Lijdensweg met allerlei ondersteunende activiteiten.

Noot: Dit eerste deel van het 8ste hoofdstuk Het oordeel ten gevolge waarvan de blinden ziende en de zienden blind worden” waar de bovengenoemde voetnoot  in der hervertaling van De Groot werd aangebracht is als onderdeel van de hele vertaling hier te lezen. Dit hoofdstuk veronderstelt, zoals  hele werk van Valentin Tomberg, een basiskennis van de antroposofie die in de basiswerken van Rudolf Steiner, zoals Theosofie en De wetenschap van de geheimen der ziel verkregen kan worden
Op deze blog kunnen deze en alle  berichten en aankondigingen van de vorige lezingen nagelezen worden.
De voorlezingen kunnen apart bezocht worden. Voor deelname wordt een vrije bijdrage van circa 10 Euro gevraagd.

Plaats: Ita Wegmanhuis. Weteringschans 74, 1017 XR Amsterdam
Datum en tijd: Zondagmiddag 24 maart, 14.30  tot 18.00 uur
Info: Robert Jan Kelder; info@willehalm.nl; Tel. 020-6944572;06-23559564  


woensdag 13 maart 2019

Aankondiging 7de lezing “De tekenen en wonderen van Christus Jezus volgens het Johannesevangelie” op 17 maart in het Ita Wegmanhuis te Amsterdam in het kader "Gods Rijk op Aarde realiseren - De antroposofische beweging als het Nieuwe Christendom"


Is het wegens de bar slechte reputatie die het werk en de persoon Valentin Tomberg door het euvele smaadschrift "Der Fall Tomberg" van wijlen bestuurslid van de Algemene Antroposofische Vereniging in Dornach, Sergej Prokofieff heeft gekregen - hij zou een Jezuïtische verrader van de antroposofie zijn en de Antroposofische Vereniging noch de Katholieke Kerk een goede dienst hebben bewezen - dat antroposofen het massaal laten afweten om deze lopende lezingenreeks van de 12 hoofdstukken uit het magistrale werk "Antroposofische beschouwingen over het Nieuwe Testament" van Valentin Tomberg in het kader van “Gods Rijk op Aarde realiseren – De antroposofische beweging als het Nieuwe Christendom” door de vertaler Robert Jan Kelder een bezoek waardig te achten? Wie zal het zeggen?

Dat ook orthodoxe christenen het laten afweten om de bij de 5de lezing begonnen herdoop van onze hoofdstad van een Grijs tot Wit magisch centrum van het christelijk-hermetisme bij te wonen, is echter niet zo vreemd, gezien de vooroordelen die daar immers nog steeds heersen over alles wat maar enigszins naar magie en occultisme riekt.  Daar zijn genoeg voorbeelden van. Zo kon gisteren in de reportage “Monique Le Grand wilde een heksenkring opzetten in Ermelo en Harderwijk, tot er voor haar gewaarschuwd werd vanaf de kansel” in de Verdieping van het dagblad Trouw de uitlatingen gelezen worden van ene Ria Adam (60) die “de afgelopen maanden bad tegen de komst van de natuurheks. Ze vroeg ook om gebed op de Facebookpagina ‘Christenen in Nederland’, dat gaf God haar in […], ‘Ik wilde mensen waarschuwen. Alleen bij God vind je het leven, niet in de witte magie.’”

Hoe dan ook, voor degenen die hun negatief oordeel wellicht eens willen heroverwegen aan de hand van een oorspronkelijke tekst, maar ook voor alle vrienden van de antroposofie en onbevooroordeelde christenen die nog nooit iets van Valentin Tomberg gehoord of gelezen hebben en er voor open staan, is in de bijlage onderaan deel 3 "De zeven beden van het Onze Vader als de weg naar een nieuwe lotsverhouding tot God de Vader" uit het 6de hoofdstuk van deze Beschouwingen te lezen, dat vorige zondagmiddag, 10 maart voor een klein, maar trouw gezelschap in de Grote Zaal van het Ita Wegmanhuis ten gehoor werd gebracht. (Deze tekst veronderstelt wel een basiskennis van de antroposofie over de wezensdelen van de mens als lichaam,ziel en geest en het kosmisch ontstaan en ontwikkeling van de aarde, die in de basiswerken “Theosofie” en “ De Wetenschap van de geheimen der ziel” van Rudolf Steiner te verschaffen is.)

Dit bestand begint met een beschouwing over de ontwikkeling van het begrip nadenken via het begrip meditatie naar dat van de bede en vormt als zodanig een verdiepende aanvulling op de aankondiging in het maandblad Motief van deze maand "Mediteren, waarom zou je?" van Jaap van de Weg voor de "Dag over meditatie" dat voor de derde keer de Antroposofische Vereniging in Nederland  organiseert over dat actuele onderwerp. Daarna gaat dit bestand over naar een inspirerende beschouwing van wat je "Het Onze Vader 2.0" zou kunnen noemen, daar het een grote vertaalslag van deze 7 beden maakt van het bewustzijnsniveau van de verstands- of gemoedsziel uit de tijd dat Jezus Christus "Het Onze Vader" de mensheid toevertrouwde tot het kritische bewustszijnszielentijdperk van de huidige mensheid.

Op zondagmiddag 17 maart zal vervolgens het 7de hoofdstuk "De tekenen en wonderen van Christus Jezus volgens het Johannes-evangelie" ten gehoor worden gebracht, voorafgegaan door een inleiding en commentaar op de verdere poging om aan de hand van dit werk van Valentin Tomberg, die door spreker als de gereïncarneerde Hermes Tresmegistos, de stichter van de oer-oude Egyptische beschaving werd voorgesteld, ondersteund door de grafiek "Ons kosmisch systeem" van Willy Conrad, dat in één opslag alle geheimen van de wetenschap van de ziel prijsgeeft, een beursbanner van het beeldhouwwerk "De mensheidsrepresentant" van Rudolf Steiner en een deeltentoonstelling van de "Deugden - Krachten van het Nieuwe Christendom" van de schrijver Herbert Witzenmann en de kunstschilder Jan de Kok, om dus aan de hand daarvan onze keizerlijke hoofdstad van een Grijs tot een Wit magisch centrum van het christelijk-hermetisme te herdopen. Wellicht zal reeds dan en daar een proefexemplaar 0.1. van "De Godsvriend -Orgaan van de Willehalm Ridderorde van het Woord (i.o.)", dat verleden zondag werd aangekondigd, het daglicht al zien.

Voor de datums van deze en de nog 5 volgende voorlezingen, die apart bezocht kunnen worden, en voor aankondigingen en berichten van de vorige afleveringen, zie onderaan en de rest van deze blog "Het Nieuwe Christendom". Toegang is gratis, wel is een vrije bijdrage van € 10,00 ter dekking van de onkosten gewenst. Voor tee, koffie en/of limonade voor deze door sommige als marathon ondervonden lezingen wordt gezorgd. De slag bij Marathon onder aanvoering van de Atheense krijgsheer en staatsman Miltiades werd echter tegen de grote overmacht van het Perzisch leger gewonnen, doordat de Grieken geïnspireerd werden, zo verteld Rudolf Steiner, door de machtige impuls van de Griekse mysteriën.

Moge de impuls van de door Rudolf Steiner opnieuw opgerichte en door Valentin Tomberg verdiepte mysteriewijsheid, de antroposofie, de nodige kracht en wijsheid verlenen om de doop en verdere bloei en groei van Amsterdam met de haar door Koningin Wilhelmina verleende motto's "Heldhaftig, Standvastig en Barmhartig" op haar keizerlijk wapen als Wit magisch centrum geleidelijk aan te voltooien!

* * *

Programma:

VII. Zondag 17 maart: De tekenen en wonderen van Christus Jezus naar het Johannes-Evangelie 
VIII. Zondag 24 maart:  De genezing van de blindgeborene en de opwekking van Lazarus
IX. Zondag 31 maart:     De Lijdensweg
X. Zondag 7 april:          De hogere treden  van de Lijdensweg
XI. Zondag 26 mei:        Het Mysterie van Golgotha
XII. Zondag 2 juni:        De Pinkstergebeurtenis

Locatie en tijd: Grote zaal van het ITA Wegmanhuis, Weteringschans 74, 1017 XR Amsterdam van 14:30-18:00 uur
Informatie: Willehalm Stichting, Kerkstraat 386a, 1017 JB Amsterdam; info@willehalm.nl; Tel. 06-23559564; 020-6944572
Toegang: Gratis, aanmelding is niet nodig; vrijwillige donatie gewenst (richtbedrag ± 10 Euro)
Noot: Alle hoofdstukken zijn als werkvertaling na te lezen op: http://jezus-van-nazareth.blogspot.nl


Bijlage:

3. De zeven beden van het Onze Vader als de
weg naar een nieuwe lotsverhouding tot God de Vader[1]


Noot vooraf: Onderstaande tekst is deel 3 van het 6de hoofdstuk “Het Onze Vader als een weg tot lotsverbinding met God De Vader” uit “Antroposofische beschouwingen over het Nieuwe Testament” van Valentin Tomberg, waarvan alle 12 hoofdstukken hier na te lezen zijn. Zoals al gezegd, veronderstelt deze tekst een basiskennis van de antroposofie van Rudolf Steiner die te verschaffen is in zijn basiswerken "Theosofie" en "De wetenschap van de geheimen der ziel" 

Het behoort tot de echt moeilijke taken van de huidige tijd om tegenover hen die door de geesteswetenschap onberoerd gebleven zijn, het verschil tussen nadenken, reflectie en meditatie duidelijk te maken. Dit wordt in het bijzonder bemoeilijkt doordat enerzijds de meditatie als gevolg van een dieper nadenken zich voordoet, maar dat zij anderzijds in bepaalde opzichten van het nadenken niet alleen verschilt, maar daaraan ook tegengesteld is. Want terwijl het bij het gewone denken erom gaat een uniek inzicht in het onderwerp van de overdenking te verkrijgen, gaat het bij meditatie om een herhaalde onderdompeling in een zodanig inzicht. Het denken stopt op het punt waar het iets ontdekt heeft – voor het zich nog langer bezig houden met het reeds gekende vindt het geen aanleiding. Dit is echter het punt waarop de meditatie kan beginnen. Want de aanleiding tot meditatie ligt niet in het verkrijgen van een nieuwe kennis, maar in de mogelijkheid om in de reeds verworven kennis te leven.
            Niet het vinden van een nieuwe gedachte-inhoud is de beweegrede tot meditatie, maar het onderbrengen van deze inhoud in het voelen en in het willen. De waarheidsinhoud tot inhoud van de hele mens te maken – dit is het doel van de meditatie, die zo lang wordt volgehouden als het nodig is om de heldere gedachte-inhoud tot heldere kracht-inhoud van de wil te transformeren. Daarom is meditatie een oefening, terwijl het nadenken een eenmalige doelhandeling is.
            Maar nu gebeurt er met de meditatie in de loop van haar ontwikkeling een soortgelijke metamorfose, als in de loop van de ontwikkeling van het nadenken dat tot meditatie wordt. Zoals het tot inzicht gekomen nadenken op dit punt ofwel kan stoppen ofwel zich kan omzetten in het beoefenen van meditatie, zo kan een tot de wilsdoorlichting voorgedrongen meditatie ofwel op dit punt ophouden, ofwel zich in een andere, hogere activiteit transformeren. Deze hogere activiteit die uit de meditatie – als haar hoger stadium – tot bloei kan komen, knoopt aan bij het punt waar de oorspronkelijke beweegreden tot meditatie zichzelf heeft uitgeput. Want wanneer het doel van de meditant erin bestaat om zich volledig met een inhoud te doordringen, dan kan zich eenmaal het moment voordoen waarop de meditant weet: de gedachte vervult mijn hele wezen.
            Dit moment kan echter tegelijkertijd de beweegrede tot een verdere activiteit baren. Want doordat de inhoud van de meditatie de wil doordringt, wordt deze tot een aan de wereld gewijde wil. Deze toewijding van de wil aan de wereld brengt ook de eis met zich mee naar de activiteit ervan ten bate van de wereld. Was de beweegreden van de meditatie tot dan toe de bekrachtiging van de heldere en goede krachten van de eigen ziel, nu wordt ze tot de wil om tot de bekrachtiging van het goede en het heldere in de wereld bij te dragen. De herhaalde oefening van de krachten van de ziel wordt als gevolg daarvan tot een herhaalde uitoefening van deze krachten. Daarbij is er geen sprake meer van dat er iets voor de eigen ontwikkeling wordt gedaan, maar gaat het er met name om dat er iets noodzakelijks in de wereld geschiede. Meditatie wordt daarmee tot een bewuste deelname aan het objectieve wereldgebeuren.
            De vraag naar wezen en oorsprong van het Godsbegrip kan bv. tot een veelzijdige en diepe overdenking aanleiding geven. Zo kan de sedert oertijden als een zegelafdruk in het bewustzijn van de mensheid ingeprente "Naam van de Vader" tot onderwerp van meditatie worden. Deze meditatie verheft zich echter tot deelname aan een geestelijk gebeuren, wanneer de mens de krachten van zijn denken, voelen en willen laat instromen in de zin: Uw Naam worde geheiligd. Dan komt het noch op de vraag: wat is de naam aan, noch alleen op de oefening ten behoeve van scholing; maar komt het er op aan dat de naam van de Vader geheiligd worde.
            Een dergelijke in naam van de mensheid volbrachte uitstroom van denk-, gevoels- en wilskracht van de mens geschiedt vanuit een levende verbintenis met een hogere wezensdeel van de mens dan de wezensdelen die als tot de ziel behorend worden aangeduid. Want het nadenken dat zich van het logisch denkvermogen bedient, is een activiteit die door de verstandsziel mogelijk wordt gemaakt. Wordt het nadenken tot meditatie, in de zin van een zich steeds intensievere bewustwording van het reeds gekende, dan is bij de meditatieve inspanning de bewustzijnsziel actief; maar wanneer de meditatie het stadium bereikt van deelname aan het macrokosmische gebeuren, dan treedt in de geestelijke activiteit van de mens het geestzelf (Manas) op. Dit laatste uit zich in het feit dat de mens zijn krachten aan de wereldaangelegenheden toewijdt.
            Van de wereldaangelegenheden, waaraan de mens zich kan wijden, komt hem allereerst als het belangrijkste voor om de vervreemding van hemel en aarde tegen te gaan, doordat hij ernaar kan streven om een verbinding tussen beide rijken te scheppen. Dit is de eerste opgave van het vrije menselijke Ik: een vrije schakel tussen hemel en aarde te worden.
            Nu is het Ik datgene wat de oereigenste wezensgesteldheid van de mens inhoudt. Het Ik van de mens is zijn ware naam in de kosmos. Deze naam kan alleen de mens in kwestie uitspreken (een feit waar Rudolf Steiner enkele malen in verschillende contexten op heeft gewezen). Geen mens kan tegenover de ander "Ik" zeggen; dit woord heeft alleen betekenis en belang wanneer het uit de mond van de betrokken mens zelf vernomen wordt. Deze onzinnigheid van het oereigen naamgebruik van de ene mens tegenover de andere is tegelijk uitdrukking van de onschendbaarheid van het innerlijke heiligdom, van de vrijheid, van het Ik. De uitspreekbaarheid van de "naam" van een ander mens is de alleruiterlijkste zintuiglijk waarneembare uitdrukking van het feit van het beschermd-zijn van deze naam, als het oereigendom van de mens, tegen misbruik – d.w.z. tegen de verkrachting van zijn vrijheid. Dat het heiligdom van de menselijke naam geheiligd wordt – daar wordt door het wereldkarma voor gezorgd, zolang de mens zelf zijn "naam" niet verraadt, d.w.z. vrijheid niet zelf opgeeft en zich voor een andere macht bewust buigt (Lucas 4:7).
            Zoals de menselijk "naam" alleen door de betreffende mens zelf "uitgesproken" kan worden, zo kan de "Naam" van God de Vader door niemand in de bovenstaande zin "uitgesproken" worden. Want de individualiteiten van de wezens van de wereld zijn uit de Vaderwezenheid ontstaan, zodat de Vaderwezenheid voor alle wezens transsubjectief is, d.w.z. dat het achter het individuele subject staat. En doordat de individualiteiten van die wezens er zijn, spreekt de Vaderwezenheid hun "namen" zelf uit. De enkele individualiteiten zijn "letters" waardoor het "woord" van de gesproken Naam van de Vader tot uitdrukking komt. En de gezamenlijkheid van de menselijke individualiteiten betekenen de Naam van de Vader, zoals Hij zich door de menselijke hiërarchie in de wereld manifesteert. Daarom zegt de eerste bede van het Onze Vader volgens haar inhoud: "Geheiligd worde de vrijheid van alle individualiteiten van de mensheid, zoals de vrijheid van de individuele persoonlijkheden geheiligd is, want de vrijheid van het individu (zijn "naam") heeft slechts zin en betekenis wanneer ze in de grote Vrijheidsnaam van de mensheid, dat is de Naam van de Vader, meeklinkt" –
            "Uw Naam worde geheiligd" is dus de bede om de verwezenlijking van de hiërarchie van de vrijheid als geheel; Het is de bede om de grote samenklank van de vele namen in de ene Naam van de Vader, welke geen louter som van individuele namen is, maar een openbaring van de Vader door de samenklank van alle wezens van de menselijke hiërarchie. En er mag – in de zin van deze bede – van dit koor geen enkel wezen verloren gaan, want dan zou de openbaring van de grote Naam onvolledig zijn. Geheiligd dient de grote Naam van de Vader te worden – en daarmee ook alle individuele persoonlijkheden, toegevoegd als die zijn aan de geheiligde, d.w.z. onaantastbare en beschermde Al-vereniging in de Naam van de Vader.
            Het streven naar deze Al-vereniging is de wezensopenbaring van het geestzelf of Manas in de mens, d.w.z. van de drager van de missie van het Ik, van zijn ware individuele "naam", van incarnatie tot incarnatie. Het geestzelf is eigenlijk dat wezensdeel van de mens dat ernaar streeft om de in de wereldharmonie begrepen toon van de individualiteit tot gelding te brengen.
            Nu zou deze toon tot zijn recht gekomen zijn, wanneer ze niet door een valse toon, een verkeerde naam tegengewerkt zou zijn. Want zoals het geestzelf op de harmonie van de individualiteit met de kosmos is ingesteld, zo is het Luciferisch persoonlijkheidsprincipe in het astraallichaam op een eigen toon ingesteld, die met de wereldharmonie geen rekening houdt. Ten gevolge van deze Luciferische inslag ontstaat de kakofonie, de dissonantie in de menselijke hiërarchie.
            Alle versplintering van de mensheid geschiedt als gevolg van deze "valse naam" van de mens, die uit het principe van het egoïsme ontstaan is. En tegen die versnippering van de mensheid, tegen de valse vrijheid van het egoïsme, is de bede van het Onze Vader gericht: "Uw Naam worde geheiligd" – aan welke bede de vaststelling ten grondslag ligt dat de heiliging van de Naam van de Vader de heiliging van elke individuele ware naam beduidt, maar dat de ware naam van het individuele wezen alleen tot gelding kan komen, doordat de mens de "naam", de innerlijke vrijheid, van ieder ander mens als even heilig beschouwt als zijn naam geheiligd is, want alle "namen" zijn uitdrukkingstekens van de Naam van de Vader.
            Zo ligt aan de eerste bede van het Onze Vader het weegschaalprincipe ten grondslag. Men zou dus bij de bede: "Uw Naam worde geheiligd", de woorden: "zoals wij de namen van de mensen heiligen" innerlijk erbij kunnen denken. Dit erbij te denkende deel van de bede geeft de innerlijke rechtvaardiging voor de bede. Want alleen het heilig houden van de innerlijke vrijheidsbron in de andere mens geeft de mens het recht de bede uit te spreken, dat door deze vrijheidsbron van alle mensen de Vader Zich openbare en ze allen heilige, doordat Zijn Naam zelf geheiligd worde.
            Maar in tegenstelling tot bv. de vijfde bede van het Onze Vader, waar het gerechtvaardigde deel van de bede wel wordt uitgesproken, blijft dit deel in de eerste bede onuitgesproken. De reden voor dit zwijgen kan uiteraard worden ingezien, wanneer men bedenkt dat het Onze Vader enerzijds in een bepaalde ontwikkelingstijdperk van de mensheid gegeven werd, maar dat het anderzijds niet alleen voor dat ontwikkelingstijdperk bedoeld was. Kan dan over dat ontwikkelingsstadium naar de vrijheid dat in het vierde tijdperk werd bereikt, zelfs ook over het huidige ontwikkelingsstadium van, in exoterisch-algemene zin gezegd worden: "zoals wij de naam van de mens heiligen"? Werd destijds – en wordt vandaag de dag – de onaantastbaarheid van de menselijke innerlijke vrijheid zo hoog gewaardeerd dat zulk een woord met het werkelijke ontwikkelingsstadium van de mensheid overeenkwam en ook nu nog overeenkomt? – De onuitgesproken delen van het Onze Vader zullen verklinken – geleidelijk aan – wanneer de mensheid het overeenkomstige stadium van spirituele ontwikkeling zal hebben bereikt. En gedurende het zesde tijdperk (van "Filadelfia" uit de Openbaringen) zal de Manas-bede van het Onze Vader ook in haar onuitgesproken deel voor het bewustzijn van een bredere kring van de mensheid klinken.

Ligt de essentie van het streven van het geestzelf in de bede om de geheiligde Al-vereniging van alle mensen, de essentie van het streven van de levensgeest (Buddhi) gaat in die richting verder. Daarbij gaat het niet alleen om de verwezenlijking van de eenheid van de menselijke hiërarchie, maar vooral om de verwezenlijking van de missie van deze verenigde menselijke hiërarchie ten opzichte van andere wezens. Want er zijn in de wereld wezens die van de mensheid afhankelijk zijn. Dat zijn de wezens die door het totaalbegrip "de natuur" worden samengevat. De afhankelijkheid van de natuurrijken van de mensheid bestaat hieruit dat de natuur weliswaar aan zog. "natuurwetten" onderworpen is, maar dat de morele wet alleen in het innerlijk van de mens geldt, terwijl de Natuur daarvan is uitgesloten.
            Dit feit en de daaruit voor de mensheid voortvloeiende opgaven en plichten werden reeds in de vorige beschouwing (in verband met de spreuk "Het zout der aarde") besproken; datgene waar het hier op aankomt is een verdere stap te zetten, in de zin van een dieper en nauwkeuriger begrip van deze opgaven en plichten. En wel komt het daarbij in eerste instantie erop aan dat men de fasen van het verlossingswerk van de natuur door de mensheid nader gaat bezien.
            De eerste van deze fasen is het inzicht van de tot gewetensziel uitgegroeide bewustzijnsziel in de samenhang tussen de toestand van de natuur als decadente menselijkheid en de menselijke zondeval; daarop volgt als verdere stap de verwerkelijking van de verbinding van de natuur met het moreel-geestelijke door de Manas-dragende mensheid.
            Maar deze verbinding, die door het toevoegen van het "zout der aarde", de morele ether, verwerkelijkt zal worden, betekent nog niet de verlossing van de natuur. Dit laatste is aan het toekomstige Venus-bestaan van de aardeontwikkeling voorbehouden, wanneer het Buddhi- of het levensgeestprincipe van de mensheid volledig ontplooid zal zijn. Dan zal de van de menselijke morele kracht afkomstige straling niet alleen richtinggevend voor de natuur zijn, maar ze zal de natuurwezens zelf van morele levenskracht voorzien. De natuur zal dan niet alleen geleid worden, doordat ze de mensen vol vertrouwen zal volgen, maar ze zal zelf in het bezit van eigen morele krachten komen. Dan zullen bv. de nakomelingen van het aardse plantenrijk niet meer volgens "organische", maar volgens morele wetten, door groei hun vorm bestemmen. Er zullen daar niet meer soorten van bv. fanerogame [zaaddragende] en cryptogame [niet zaaddragende] wortelgewassen en van bladdragende en bladloze of wortelloze planten zijn, maar imaginatief-bewegende gestalten van  bv. goedheid, dankbaarheid, deemoed, enz., welke in klankvolle openbaring tot bloei komen.
            Het rijk van de natuur zal dan tot een wezenlijk ander rijk worden. Het zal zich moreel oprichten en een zelfstandige relatie met het Rijk der hemelen verkrijgen, en dan niet in de zin van een geharde weerspiegeling van het kosmische verleden, maar in de zin van een tegenwoordige reactie op de geestelijke gebeurtenissen in de hemelen. De natuur zal dan uit haar slaap ontwaken, d.w.z. ze zal niet langer op droomherinneringen uit het verleden aangewezen zijn, maar in de geestelijke tegenwoordigheid worden geplaatst. Het Rijk van de Vader zal tegenwoordig worden. De bede die het wezenlijke streven van de levensgeest, van het Buddhi, tot uitdrukking brengt: "Uw Rijk kome" is de bede om het tegenwoordig worden van het Rijk der Hemelen in de natuur.
            Opdat deze bede echter ook gerechtvaardigd zij, moet ze iets bevatten – zij het ook onuitgesproken – dat op de andere schaal van de weegschaal kan worden geplaatst.
            Indien de natuur in een andere relatie tot de Godheid dient te komen, dan zou uiteraard ook de mensheid iets vanuit zichzelf gedaan moeten hebben, opdat een dergelijke verandering geschiedde. Want als de bede daaruit bestaat dat de natuur van de banden van het verleden bevrijd worde en het Rijk der Hemelen tegenwoordig worde, dan zou van de kant van de mensheid, in haar verhouding tot de tijd, iets moeten geschieden dat met de verandering in de verhouding van de natuur tot de tijd overeenkomt.
            Opdat de natuur de tegenwoordigheid van het Rijk verleend worde (d.w.z. met andere woorden dat de ziel van de natuur ontwake, want de tegenwoordigheid is het principe van de ziel, zoals de toekomst het principe van de geest is en het verleden dat van het lichaam), heeft de mensheid zelf van de tegenwoordigheid af te zien en de toekomst te leven. Dit is de wezensaard van het Buddhi-bewustzijn: al het tegenwoordige wordt aan de omgeving weggegeven, terwijl de mens zelf alleen van en voor de toekomst leeft. En doordat het Buddhi-bewustzijn in de mensheid geldend zal worden, zal de mensheid haar ziel in de natuur doen uitstromen, terwijl ze zelf aan de geest zal zijn toegewijd.
            Van het tegenwoordige zal ze afzien ten gunste van de natuur en zelf zal ze aan de voorbereiding en verwerkelijking van de toekomst gewijd zijn. In die zin zou de tweede bede van het Onze Vader als geheel ongeveer op de volgende wijze opgevat kunnen worden: "Uw Rijk worde tegenwoordig, zoals wij de toekomst leven. Verlosse de natuur van de banden met het rijk van het verleden en schenke haar de tegenwoordigheid van Uw Rijk, zoals wij afzien van het tegenwoordige rijk en ons aan het Rijk van de toekomst wijden".
            Nu is echter toewijding aan de toekomst in wezen het leven voor de doelstellingen van de toekomst, die de mens in zijn wil opneemt. Dan leeft hij in zijn wil de toekomst vooruit, terwijl hij zijn hart aan de omgeving wijdt. Deze toestand van bewustzijn is de toestand van zijn kruisiging. De kruisiging is de opofferende toewijding van de hartekrachten – d.w.z., die van het heden – aan de omgeving, terwijl de wil zich tot in de verre toekomst uitstrekt. De bede van de komst van het Rijk bevat om deze reden steeds een zekere mate van kruisiging van het menselijk bewustzijn. En de mate van zijn kruisiging is ook bepalend voor de mate van gerechtvaardigdheid en daarmee van de werkzaamheid van de bede.

De offerdaad van het menselijk bewustzijn kan echter nog verder gaan dan het afstand doen van het tegenwoordige. Het kan het ook van de wil van de toekomst afzien. Dan is het offer een volledig offer, van het bewustzijn blijft niets over – zelfs zijn bestaan wordt dan twijfelachtig. Volbrengt het bewustzijn deze hoogste offerdaad, dan gaat het door de doodervaring heen. En het wonder van zijn opstanding, hetwelk daarop volgen kan, is de daad van God de Vader die de openbaring van de realiteit van de geestmens (Atma) veroorzaakt.
            De bede "Uw wil geschiede op aarde, zoals ook in de hemel" is het afstand doen van de wil, maar het is tegelijk de overdracht van deze wil aan de wezens van het lagere rijk.
            Zoals de volledige verwerkelijking van de tweede bede aan het toekomstige Venus-bestaan wordt voorbehouden, zo wordt de volledige verwerkelijking van de derde bede aan het toekomstige Vulcanus-bestaan voorbehouden. Want het is een letterlijke, vooral in het bijzonder voor het Onze Vader geldende waarheid, die door de woorden: "Hemel en aarde zullen voorbij gaan, maar mijn woorden zullen geenszins voorbijgaan" werd aangekondigd.
            Aldus hebben de woorden van de derde bede geldigheid tot in de Vulcanus-periode van ontwikkeling van de mensheid. En deze geldigheid zal zich in deze periode vooral bewijzen doordat, als gevolg van de opofferende dood en opstanding van het gevorderde stadium van de mensheid, het lagere, achtergebleven mensenrijk zal worden verlost. Dan zal het binnenste van de aarde zelf, de kern van het kwaad, worden getransformeerd, en de wil van de Vader zal letterlijk op aarde geschieden zoals die in de hemel geschiedt.
            De eerste drie beden van het Onze Vader bevatten dus, als hun innerlijke rechtvaardiging, het afstand doen van het eigen denken, d.w.z. van de eigen naamgeving, van het voelen en het willen. En daarbij is het afstand doen van het eigen denken de voorwaarde voor de Manas-bede; het afstand doen van het eigen voelen is verbonden met de Buddhi-bede en het afstand doen van het eigen willen is bevat in de Atma-bede van het Onze Vader.

De laatste bede omvat niet alleen de mensheid en de natuur, maar ook de ondernatuur, d.w.z. ook datgene wat tegenwoordig vanuit het binnenste van de aarde in de zin van het kwaad aan het aardoppervlak naar boven werkt. Deze werking is aan het aardoppervlak in alles wat stoffelijk is tegenwoordig.
            Nu is echter ook de verticaal gerichte, al het stoffelijke doordringende Vaderwerking eveneens in al het stoffelijke aanwezig. Het brood dat wij eten kan dus de drager van zowel de ene als de andere werking zijn. Het kan enerzijds de werking van het sacrament van het Avondmaal, van de Communie zijn, het kan echter anderzijds als middel tot bv. verduistering van het bewustzijn dienen dat miljoenen mensen tot een gemeenschap van haat, die het "dagelijks brood" op zijn banier draagt, verenigt.
            Er is nauwelijks een misdaad die niet in naam van het dagelijks brood zou zijn gepleegd; er is echter in de fysieke wereld niets heiligers, en in diepste zin ook niets dat meer heiligend werkt dan het brood van de Communie.
            Deze dubbele betekenis van het brood was de onderliggende oorzaak van de twee verschillende interpretaties van de vierde bede van het Onze Vader. Want er waren in de eerste eeuwen van de christelijke jaartelling twee leeswijzen van deze bede: "Geef ons heden ons substantiële brood (ton arton hemon ton epiusion-panem substantionalem )" Maar het gaat niet om de leeswijze, maar dat men begrijpt dat in het brood zelf twee werkingsrijken elkaar ontmoeten. En met name komt het erop aan dat het van de mens afhangt met welk rijk hij door het brood in een verhouding tot de Communie komt te staan.
            Want de betekenis van de vierde bede, als verzoek, bestaat juist in het feit dat ons brood uit handen van de Vader tegenwoordig ("vandaag") ontvangen wordt. Het gaat dus bij deze bede om de instelling van het menselijk bewustzijn op de Vaderwerking in het brood als fysieke substantie. Het gaat ook niet om een louter symbolisch "brood", noch om de louter symbolische voedingsstof. Want voeding is datgene wat nodig is voor het leven in een fysiek lichaam op aarde – maar het is niet alleen nodig opdat de mens leve, maar ook opdat hij als mens kan leven.
            Het fysieke lichaam is niet alleen een combinatie van stoffen, maar ook een krachtenstructuur van de morele wilskrachten van de wereld. En als zodanig heeft het enerzijds stoffen, anderzijds morele krachten nodig om niet alleen als louter fysieke structuur, maar ook als een op het geestelijk-psychische wezen van de mens gerichte organisatie behouden te blijven.
            Het lichaam van de mens leeft, als menselijk lichaam, in letterlijke zin "niet van brood alleen, maar van ieder woord dat uit de mond van God komt". In de diepste diepten van het onderbewustzijn klinkt het woord van God, het lichaam vormgevend en ondersteunend, zoals aan de andere kant in de diepten van de stofwisseling de processen van de assimilatie van voedingsstoffen voor de opbouw van het lichaam plaatsvinden. En feitelijk behoort tot het leven en handhaven van het lichaam zowel het ene als het andere.
            In het tegenwoordige moment ("vandaag de dag") dienen deze twee levensvoorwaarden van het lichaam in evenwicht te blijven. In de verleidingsscène in de woestijn werd het feit van de noodzaak van dit evenwicht door de woorden van de Christus Jezus uitgedrukt, toen Hij zei: "Niet van brood alleen leeft de mens, maar van ieder woord dat uit de mond van God komt".
            Daarmee is de vierde bede van het Onze Vader een uitdrukking van de noodzaak van dit evenwicht, een bede om dit evenwicht. Volgens haar innerlijke betekenis is deze bede de bede van de mensheid om dezelfde kracht die de Christus Jezus openbaarde bij de afwijzing van de verzoeking om stenen in brood om te zetten. Ze zou om die reden ook ongeveer op de volgende wijze begripsmatig kunnen worden uitgedrukt: "Geef ons in de tegenwoordige tijd het aardse brood, dat net zo met Uw werking is doordesemd als het hemelse woord met de werking van Uw wezen is doordesemd, waar we hongerend naar verlangen".

Heeft de vierde bede betrekking op de stofwisselings- en wilsprocessen in het fysieke lichaam, zo heeft de vijfde bede betrekking op het overeenkomstig innerlijk werkingsgebied van het etherlichaam. Want ook het etherlichaam heeft een soort van "stofwisselings-wilsorganisatie". Zijn "stofwisseling" manifesteert zich in zijn herinnerings­leven; de belevenissen uit het verleden leven in het etherlichaam verder en vullen hem evenzo als de voedingsstoffen het fysieke lichaam vullen. Zijn wilsactiviteit uit zich echter in de morele processen van "onthouden" en "vergeten", d.w.z. in het uitwissen van bepaalde belevenissen of, in tegendeel, in het versterken ervan.
            Zo draagt het etherlichaam in zich zowel ervaringen uit het verleden, die door koudestromingen verschrompeling veroorzaken, alsook zulke ervaringen die door warmtestralingen wezensgroei veroorzaken.
            De morele kant van "behouden" en "vergeten" in het etherlichaam bestaat vooral uit het feit dat ofwel de ziekmakende negatieve inhoud door de positieve, gezondmakende inhoud overstraald worden, ofwel dat de eerste de laatste overstralen. De mens kan in zijn levensloop daaraan niets meer veranderen; het verleden staat daar, onbeweeglijk en onveranderlijk, en haar schulden staan vast als pijlers. En juist omdat de mens daar direct niets aan kan veranderen, richt hij de vijfde bede van het Onze Vader tot God de Vader. Alleen doet hij dat niet in zijn eigen naam, vanwege alleen zijn persoonlijke schuld, maar in naam van de mensheid, vanwege de schuld van de mensheid.
            De inhoud van de bede is de hoop dat het negatieve verleden waaraan de mensheid lijdt, zal worden verwijderd. Dit uitwissen van het verleden, als een moreel-bewust "vergeten", is vergeving. De vergeving van de kant van de Vader kan echter alleen gebeuren in het geval dat op de menselijke, onderste schaal van de karmische weegschaal een tegenwaarde gelegd wordt. Zodoende is de voorwaarde voor de vergeving van onze schuld dat wij onze schuldenaren vergeven.
            Als de mens tegenover andere mensen het negatieve in morele zin leert te "vergeten" in zijn astrale wezen, waar het uiteraard in zijn macht ligt om de inhouden te veranderen, dan zal ook in zijn etherlichaam, waar hij geen macht heeft om iets te veranderen, zijn negatieve inhouden worden verwijderd. Wie in zijn astraallichaam de inhoud van de schuld van de ander astraal, d.w.z. als antipathie, uitwist, bij hem zullen ook overeenkomstig in zijn etherisch lichaam de inhouden van zijn schuld etherisch, d.w.z. als diepe ziekteoorzaken verwijderd worden.
            Nu gaat het echter bij de vijfde bede, zoals gezegd, niet alleen om individuele zaken, maar om al het individuele omvattende mensheidsaangelegenheden. Daarom wordt ook niet deze of gene schuld bedoeld wanneer er om vergeving gevraagd wordt, maar de schuld van de mensheid waar de individuele schulden uit volgen. Deze schuld van de mensheid is echter dezelfde schuld die als mogelijkheid bij de verzoeking in de woestijn tot de Christus Jezus naderde, namelijk om de aarde in bezit te nemen tegen de prijs van de aanbidding van de Heer van deze wereld. De Christus Jezus verwierp deze verzoeking; de mensheid echter was bij de oerverzoeking in het paradijs hiervoor gezwicht.
            De zogenaamde "erfzonde" is het resultaat van de oerschuld van de mensheid, die enerzijds heerser en meester van de Aarde werd, maar daarna in een afhankelijkheidsrelatie met de vorst van deze wereld verzeild raakte. De vergeving van de individuele schuld van andere mensen kan dus het effect hebben dat de niet individuele erfzonde in haar gevolgen wordt uitgedelgd. Want de bede sluit zich elke keer bij de stem van de Zoon aan, die steeds het voorbede-argument: "Vergeef hen, want zij wisten niet wat zij doen" aan de Vader voorlegt. Opdat dit geschiede werd de vijfde bede van het Onze Vader, het gebed van de genezing van de gevolgen van de erfzonde, door Christus Jezus voor de mensheid uitgesproken: "En vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren".

Terwijl het bij de vijfde bede om de vergeving van de algemene schuld gaat, de bede die haar rechtvaardiging vond in de vergeving door de enkeling van de individuele schulden van andere mensen naar hem toe, gaat het in de zesde bede juist om de eigen individuele schulden van de mensen. En wel in die zin gaat het daar om de individuele schulden van de mensen, in zover dat de bron, de mogelijkheid van een dergelijke schuldenlast het onderwerp van de bede is. Want de verzoeking is de oorzaak en het begin van een dergelijke schuldenlast.
            Nu is de tekst van de zesde bede een zodanige, dat men de indruk krijgt alsof God de Vader de mens zou proberen te verzoeken. Dat dit ondenkbaar is ligt voor de hand; dat echter de bede nog steeds luidt: "Leid ons niet in verzoeking" is eveneens een feit. De raadselachtigheid  van deze paradox lost zich op, wanneer men de verhouding van het kwaad tot God de Vader in de diepere zin opvat, waarin die bv. in het boek Job in het Oude Testament wordt weergegeven, of ook in Goethe’s Faust (Proloog in de hemel). Aan het kwaad wordt daar door God de Vader een termijn verleend, waarin de mens door het kwaad mag worden verleid, om beproefd te worden. Zulke termijnen zijn er daadwerkelijk, zowel in het leven van de individuele mens alsook in de loop van de geschiedenis van de mensheid. Zo is bv. wat men als het "Kali-Yuga" aanduidt een dergelijke termijn in de geschiedenis van de mensheid.
            Het "in verzoeking leiden" bestaat dus enerzijds hieruit, dat aan de verzoekende machten de mogelijkheid wordt verleend van buitenaf aan te treden; anderzijds bestaat ze echter uit het feit dat in het menselijke astraallichaam door de Luciferische invloed de natuurlijke neiging aanwezig is om aan de verzoeking ten prooi te vallen. Het menselijke Ik is uiteraard in een positie om niet aan deze neiging toe te geven. Dat het menselijke Ik tegen de innerlijke verleiding stand houdt, blijkt uit het feit dat het aan de macht van het goede en de waarheid – die niet als uiterlijke kracht, maar door zijn wezenheid zelf werkt – niet twijfelt. Want achter ieder grijpen naar uiterlijke machtsmiddelen en maatregelen (ook ten behoeve van het leiden van de mensen tot het goede) verschuilt zich de twijfel aan de onmiddellijke effectiviteit van het ware en het goede, d.w.z. het ongeloof in God. En dit gebrek aan geloof in de kracht van het ware en het goede, door de inhoud zelf ervan, uit zich met name in de eis dat deze macht zich uiterlijk dient te tonen.
            Het karma moest tijdens het Kali-Yuga als een geheim voor het bewustzijn van de Europese mensheid bewaard blijven, opdat deze mensheid de beproeving zou doorstaan en het geloof in het ware en het goede op zichzelf, niet echter omwille van de karmische gevolgen, zou leren en laten beproeven.
            En in de tijd dat de werking van de karmische vergelding verborgen was, naderde de verzoeking van het kwaad op zichtbare wijze tot de mensheid. Zo  ontstond de situatie van grote beproeving: het goede en het ware lijken tot louter menselijke "idealen" te zijn vervaagd, terwijl het kwaad met de donderstem van het natuurgeweld sprak. Wie echter in deze situatie het "ideaal" trouw bleef, d.w.z. door afstand te doen van elk extern "bewijs" van de macht van het goede, en in de onoverwinnelijkheid van waarheid en goedheid – wegens hun innerlijke waarde – te blijven geloven, die heeft daarmee ook de rechtvaardiging om de zesde bede, als zijnde de bede om de wederkerigheid van het vertrouwen tussen mens en God, uit te spreken. Want het niet uitgesproken rechtvaardigende deel van deze bede zou in de volgende woorden gedacht kunnen worden: "En leid ons niet in verzoeking, zoals wij  U niet verzoeken, doordat wij geen uiterlijke manifestatie van Uw kracht verwachten."
            Opnieuw vinden we in de verzoeking in de woestijn van Christus Jezus de sleutel tot een dieper begrip van deze bede: terwijl de verzoeker tot de Christus Jezus komt met de verzoeking om de werkelijkheid van het Goddelijke door een uiterlijk wonder (val van de tinne van de tempel) te bewijzen, wijst Christus Jezus de verzoeker terug met de woorden: "Er staat geschreven: 'Gij zult God, uw Heer, niet verzoeken'." En de rechtvaardiging voor de bede om verschoond te blijven van de verzoeking bestaat juist in dit afstand doen van de menselijke neiging om God te verzoeken, d.w.z. Hem niet als waarheid, maar als een de waarheid bewijzende en aantonende uiterlijke macht te willen zien.

Zoals de vierde, vijfde en zesde bede van het Onze Vader betrekking hebben op de drie verzoekingen in de woestijn, zo heeft de zevende bede betrekking op de grote beproeving die in de Gethsemane-nacht door de Christus Jezus werd doorstaan. Daarbij gaat het om het verzet van de objectieve werking van het oerkwaad tegenover de wereld, dat met het woord "euvel" (poneron) kan worden geïdentificeerd. Dit kwaad openbaart zich wat zijn wezen betreft in het geheel nog niet in het bewustzijn van de mens; het werkt slechts als verre kracht[2] door het ahrimanische wezen en manifesteert zich in zijn werking als een angstaanjagende, duistere kracht in het onderbewustzijn van het lichaam. In die zin is deze werking het volkomen tegendeel van het menselijke Ik. Want zoals het Ik het helderste punt in de lichamelijke organisatie van de mens veroorzaakt, zo veroorzaakt het euvel het punt van de grootste duisternis.
            Maar de mens die zich de moeite troost om het objectieve kwaad in de wereld al kennend te bestrijden, kan van het euvel worden verlost. De rechtvaardiging, d.w.z. de werkzaamheid van de bede: "maar verlos ons van het euvel" hangt af van de vraag of de mens het kwaad in de wereld tegenwerkt. Op die manier zou deze bede innerlijk op de volgende wijze aan te vullen zijn: "Maar verlos ons van het euvel, zoals wij tegen het kwaad van de wereld strijden."

Aldus is de geestelijk-morele opbouw van het Onze Vader zodanig, dat drie offers en vier manieren om de verzoeking te weerstaan, aan de zeven beden hun karmisch gewicht verlenen. De driehoek van de geest en het vierkant van de aardse persoonlijkheid die aan het Onze Vader ten grondslag liggen, zijn tegelijk uitdrukking van de offer- en weerstandsvaardigheid van de zevengelede mens. In overeenstemming met deze vaardigheden weegt de karmische weegschaal van het Nieuwe Verbond, waarvan de onderste schaal op de Aarde en de bovenste schaal in de handen van de Vader is.

* * *





[1] Bij de beide nu volgende delen wordt het werk van Rudolf Steiner "Das Vaterunser. Eine esoterische Betrachtung" (in "Das christliche Mysterium", GA 97) [vertaald als “Het Onze Vader” door Uitg. Pentagon] bij de lezer als bekend verondersteld. Andere werken die dit onderwerp in dezelfde richting behandelen zijn de auteur niet bekend.
[2] Meer hierover in de V. beschouwing van Deel 1, "Antroposofische beschouwingen over het Oude Testament"

donderdag 24 januari 2019

Het antwoord van de Christenheid op de Islamitische staat is Gods Rijk op Aarde

Michael-Sophia in nomine Christi


I.

“Valt de huidige opmars van de islamisering  nog te stuiten?”

De titel van deze derde versie van de aankondiging van deze lezingenreeks van het werk Antroposofische beschouwingen van het Nieuwe Testament van Valentin Tomberg (1900-1973) stamt uit een tweedelige toespraak die de vertaler en uitgever Robert Jan Kelder gegeven heeft tijdens de herdenking van de moord op Theo van Gogh op 2 november 2018 bij het plaats delict op de Linnaeusstraat en bij het monument “De Schreeuw” in het Amsterdamse Oosterpark.  Zich baserend op de true crime Doodlopende weg  van wijlen Slobodan R. Mitric, beter bekend c.q. miskend als Karate Bob, werd in de toespraak bij het plaats delict o.m. naar de nog steeds niet opgehelderde en als samenzweringstheorie doodgezwegen politieke achtergrond van de liquidatie van Theo van Gogh verwezen en aan de betrokkenheid van de overheid en geheime diensten gememoreerd die de dodelijke afstraffing door een Islamitische moordcommando voor het beledigen van Allah gefaciliteerd hebben om op die machiavellische manier deze lastpak eindelijk kwijt te raken en om tevens daarmee een dreigende opstand van de Islamitische gemeenschap in binnen-en buitenland de kop in te drukken (Deze toesprak is hier op YouTube te volgen.)
            Tijdens de herdenking iets later bij het monument  werden o.m. enkele zinnen voorgelezen uit een brief van de Servische journalist Dusan Tesic Luzanski aan zijn vriend  en schrijver Mitric, die gepubliceerd is in Doodlopende weg, en die als volgt luiden: “De Islam is het politieke leven van een Europees land binnengedrongen [i.e. Nederland]. Een van de rijkste en meest democratische landen. Ik heb in mijn boeken al geschreven dat het derde millennium zich kenmerkt door de onstuitbare opmars van de Islamisering van Europa. Is dat juist? Jij woont daar en bent beter op de hoogte van de dramatische tijden die Europa nu beleeft. Dit is de derde Islamisering van Europa in de laatste vijftienhonderd jaar, alleen is het deze keer niet te stoppen en permanent. Beseffen de Nederlanders wel wat er met hen gebeurt?  En wat is de officiële reactie op je boek?”
            Als een gedeeltelijk antwoord hierop konden uit het Ten geleide en verantwoording van de uitgever “Valt de huidige opmars van de islamisering  nog te stuiten?” de volgende slotzinnen, ondanks enig tumult, ten gehore gebracht worden: “Het boek wordt afgerond met een korte ontstaansgeschiedenis en weergave van de doelstellingen van de uitgeverij, die als stichting genoemd is naar de hoofdfiguur van het episch gedicht Willehalm van Wolfram von Eschenbach over de oorspronkelijke Willem van Oranje uit de 9de eeuw. Deze paladijn van Karel de Grote en stichter van het oorspronkelijke Oranjehuis in Zuid-Frankrijk werd in de 11de eeuw benoemd tot beschermheilige van de ridders, vooral vanwege zijn moedige strijd om de tweede opmars van de islamisering van Europa door de invallende Moren uit Spanje een halt toe te roepen. Moge deze beschermheilige, die met een door hem tot het Keltische- of Graalchristendom bekeerde Arabische prinses Arabelle getrouwd was, een inspiratie zijn om de volgens Lužanski’s onstuitbare huidige opmars van de islamisering niet op gewelddadige fysieke, doch op doorgans vreedzame, maar wel doortastende spirituele wijze een halt toe te roepen.”
            Vervolgens haalde de spreker een ook door hem uitgegeven boek Willem van Oranje, Parzival en de Graal – Wolfram von Eschenbach als historicus van Werner Greub aan, met name het hoofdstuk waarin uitvoerig beschreven wordt hoe de stichter van het Oranjehuis in staat was zijn tweede vrouw Arabelle tot het christendom te bekeren, en trok daar enkele conclusies voor de huidige tijd uit: “Dit is een historisch precedent  voor de manier waarmee we onze Islamitische burgers kunnen benaderen, voor zover de Islam een spirituele zaak is. Maar dat is het niet [alleen], de Islam is ook een politieke zaak, een ideologie, die moet je dus politiek bestrijden. Want je kan de spirituele, religieuze Islam niet met politieke middelen bestrijden, zoals Wilders dat wil, dat moet je op spirituele, christelijke, ja Graalchristelijke manier doen, zodat we een antwoord hebben op de mars, op de leus van de Islamieten die een Islamitische staat willen maken van de hele wereld. Een als christen, en ik spreek alleen voor de christenen, hebben we daar een antwoord op. Een dat zal je misschien verbazen, maar het is eigenlijk heel voor de hand liggend. Het antwoord op de Islamitische staat is Gods Rijk op Aarde dat Jezus Christus gesticht heeft en dat wij moeten voortzetten… (De opname is hier te zien.)

II.

De  Antroposofische Vereniging als Graal voor het Nieuwe Christendom 

Een poging om Gods Rijk op Aarde dat tijdens het mysterie van Golgotha door Christus Jezus gesticht werd voort te zetten kan gezien worden in de heroprichting van de  Antroposofische Vereniging door  Rudolf Steiner en de zijnen tijdens de zog. Kerstbijeenkomst 1923 in Dornach, Zwitserland als een gemeenschappelijke bewustzijnsschaal voor de inwoning van de hemelse antroposofische beweging  op aarde, een beweging die in de geestelijke wereld al eeuwen eerder was voorbereid door de huidige tijdsgeest Michael en de zijnen alsmede de heilige Sophia en die Rudolf Steiner ook als “Het Nieuwe Christendom” gekarakteriseerd heeft.  Dit is een kennischristendom van dienst aan de Aarde en het sociale organisme als lichaam van Christus dat het geworden is door  Diens geboorte na de opstanding toen Hij de discipelen verscheen als geest van de kosmische liefde.  Als tegenhanger tot dit “Nieuwe Christendom” sprak Rudolf Steiner uitvoerig over wat hij noemde het door de onrechtmatige vorst van deze wereld geïnspireerde “Nieuwe Arabisme”.  Daarbij bedoelde hij niets anders dan het materialistische natuurwetenschappelijk denken in Europa dat vanaf de 16de eeuw, voorbereid al eeuwen eerder door de Arabische empirische wetenschap, opkwam en dat alle fenomenen meent te kunnen verklaren in kwantitatieve termen van gewicht, maat en getal en dat zodoende niet alleen het driedelig mensbeeld van lichaam, ziel en geest gereduceerd heeft tot het louter fysieke of zelfs sub-fysieke, maar dat ook het traditionele geloof in de heilige Drie-eenheid van God de Vader, God de Zoon en God de Geest als bijgeloof of slechts als symbolische betekenis opzij gezet heeft en vervangen door de onheilige drie-eenheid van stof, kracht en toeval.
            Één van Rudolf Steiners voornaamste leerlingen was de christelijke hermetist Valentin Tomberg (1900-1973) die van 1939 tot 1944 in onze hoofdstad woonde (op de Berkelstraat) en als spreker ook hier te lande diepe indruk maakte met zijn Rudolf Steiner en het Nieuwe Christendom aanvullende voordrachten voor de Antroposofische Vereniging over o.m. Innerlijke Ontwikkeling volgens de weg van de Rozenkruisers en de Vier Christusoffers en de verschijning van Christus in het etherische.

III.

Antroposofische beschouwingen over het Nieuwe Testament

Als het vervolg op de toespraak bij het monument De Schreeuw en al vele eerdere publieke gelegenheden, zoals tijdens het Jeroen Boschjaar 2016, en ook binnen de Antroposofische Vereniging,  organiseert nu de Willehalm Ridderorde van het Woord (i.o.), die zich tot taak heeft gesteld het Nieuwe Christendom te bevorderen en te beschermen, onder het motto “Michael-Sophia in nomine Christi” en de titel “Het Nieuwe Christendom”  zondagsmiddags 27 januari en 10 februari voorlezingen door de vertaler Robert Jan Kelder van de eerste twee van de twaalf hoofdstukken uit het werk Antroposofische beschouwingen over het Nieuwe Testament van Valentin Tomberg.  De voorlezingen (met commentaar) kunnen separaat bezocht worden. Er wordt een thee- of koffiepauze ingelast en na de lezing is er mogelijkheid tot vragen en/of gesprek. Bij voldoende belangstelling kunnen de overige 10 hoofdstukken en de rest van Tombergs inspirerend drieluik over de Bijbel hopelijk later ten gehore gebracht worden.

Programma:

I.  Zondag 27 januari, 14:30 -18:00 uur:  Inleiding door de spreker Robert Jan Kelder op Het Nieuwe Christendom gevolgd door hoofdstuk I: “De verzoekingen in de woestijn”
II. Zondag 10 februari, 14:30 -18:00 uur: Hoofdstuk II: “De uitwerking van de verzoeking in de missie van Christus Jezus op aarde en in het lot van de mensheid”

Locatie: Weteringschans 74, 1017 XR Amsterdam (het pand naast de antroposofische artsenpraktijk); aanbellen bij de grote Zaal.
Informatie: Willehalm Stichting, Kerkstraat 386a, 1017 JB Amsterdam; info@willehalm.nl
Tel. 06-23559564; 020-6944572; http://willehalminstituut.blogspot.nl  
Toegang: Gratis, aanmelding is niet nodig; vrijwillige donatie gewenst (richtbedrag 10 Euro)
Noot: Op http://Jezus-van-Nazareth.blogspot.nl   zijn alle 12 hoofdstukken over het Nieuwe    Testament reeds te bestuderen. Ook met links naar de andere twee beschouwingen van Valentin Tomberg over de Bijbel.  
Over de Willehalm Ridderorde (i.o.) zie: http://Willehalm-ridderorde.blogspot.nl   

maandag 7 juli 2014

Nu compleet online - Antroposofische beschouwingen over het Oude Testament"

Schematische tekening van de Christuskelk aan het einde van hoofdstuk 12

Op 6 juli jl. werd als extra voorlezing in de reeks "Het Nieuwe Christendom" in de Slotkapel te Oud-Zuilen het Aanhangsel van het boek "Antroposofische beschouwingen over het Oude Testament" van Valentin Tomberg  door de vertaler  Robert Jan Kelder van de Willehalm Ridderorde (i.o.) ten gehore gebracht. Deze tekst is nu ook hier online geplaatst, waarmee het voorwoord en alle 12 hoofdstukken van dit boek, die zondagsmiddags van 6 april tot 6 juli jl. voorgelezen werden, voor beperkte tijd gratis na te lezen zijn. Zodra bekend gemaakt zal worden waar en wanneer in de Hofstad Den Haag deze reeks voorlezingen als een Inleiding op de antroposofie herhaald  zal worden, zal de online-versie van dit boek slechts beperkt toegankelijk worden. Over de voorwaarden daarvoor zal later meer informatie verstrekt worden. De voortzetting van deze reeks voorlezingen met de "Antroposofische beschouwingen over het Nieuwe Testament en de Openbaringen van Johannes", die oorspronkelijk voor dit najaar aangekondigd waren, zal pas in het voorjaar van 2015 plaatsvinden.

dinsdag 17 juni 2014

Aankondiging: 11de voorlezing -"De Heilige Geest en de werkzaamheid van Sophia in de Oudtestamentische geschiedenis"


Na de 10de voorlezing  "De Babylonische gevangenschap en de wijsheid van Zarathoestra" van het in vertaling zijnde boek "Antroposofische beschouwingen over het Oude Testament" van Valentin Tomberg door de vertaler Robert Jan Kelder in de Slotkapel van Oud-Zuilen verleden zondagmiddag (hier na te lezen), wordt op 22 juni as. het een na laatste hoofdstuk "De Heilige Geest en de werkzaamheid van Sophia in de Oudtestamentische geschiedenis" van 15.00 tot 18.00 uur ten gehore gebracht. 
Het eerste onderdeel van dit 11de hoofdstuk behandelt de geschiedenis van de profeet Hesekiel (zie afb.)  Daarover schrijft Valentin Tomberg o.m. het volgende: "De Godmens is het ontwikkelingsideaal van alle wezens van de wereld, zowel van de geestelijke alsook van de aardse wereld. Want de geestelijke wezens streven ernaar om zich in zekere zin te vermenselijken - in de zin van het geweld, het karma te overwinnen. De mensheid echter heeft tot taak zich te vergoddelijken, d.w.z. de liefde van de Goden in haar wil op te nemen. - Deze centrale waarheid van het wereldgebeuren kende Hesekiel toen hij in het middelpunt van zijn kosmisch gezicht van de werkzaamheid van de hiërarchieën van de Heilige Geest de ten troon zittende Zoon als 'een die de mens gelijksoortig is' schouwde. Hij schouwde uiteraard het oerbeeld van de Godmens profetisch, d.w.z. als kosmische toekomstintentie, want Christus was nog niet mens geworden - maar hij schouwde het in het middelpunt van het grandioze tableau van de werkzaamheid van de Heilige Geest die naar de verwerkelijking van deze intentie georiënteerd was."
Voorafgaand aan deze aan Belle van Zuylen opgedragen reeks voorlezingen onder de titel "Het Nieuwe Christendom", een initiatief van de Willehalm Ridderorde van het Woord (i.o.) kan in de Slotkapel van 13.00 tot 15.00 uur de tekst- en schilderijententoonstelling "De Deugden - Op naar een nieuwe hoffelijkheid" worden bezocht. Op de voordeur van deze voormalig Gereformeerde Kerk hangt een tekstposter onder de titel "Het Nieuwe Christendom - Ter herkerstening van de Lage Landen" met een afbeelding en spreuk van de 9de eeuwse stichter van het oorspronkelijke Oranjehuis, de Frankische sint Willehalm (Saint Guillaume d'Orange), de beschermheilige van het ten ondergegaan maar opnieuw in de antroposofie herrezen Keltische Christendom.  
Waar en wanneer uiteraard deze reeks met de 15 voorlezingen uit het te vertalen boek "Antroposofische beschouwingen over het Nieuwe Testament en de Openbaringen van Johannes" van dezelfde auteur voortgezet zal worden, zal tijdens de laatste voorlezing "Jezus van Nazareth" op 29 juni aangekondigd worden. 
Spiritueel-cultureel, c.q. antroposofisch georiënteerde instellingen of personen die mogelijk erin geïnteresseerd en in staat zijn om deze nieuwe reeks een passend onderdak te bieden, worden vriendelijke verzocht contact op te nemen met de Willehalm Stichting.



Noot: In een commentaar te vinden op dit blog "Het Nieuwe Christendom versus de Anti-Christ" wordt aan de hand van het 9de hoofdstuk "David en Salomo", met name over laatstgenoemde, geprobeerd een van de vele hindernissen in kaart te brengen die een poging zoals deze in de weg zitten om een christologische grondslag voor een herkerstening van de Lage Landen te ontwikkelen c.q. daarvoor überhaupt gehoor te vinden: de belastende erfenis van de 19de eeuwse misantroop en filosoof met de hamer Friedrich Nietzsche, "auteur" van de Anti-Christ.  

donderdag 5 juni 2014

Het Nieuwe Christendom ter Herkerstening van de Lage Landen



Onder de titel “Het Nieuwe Christendom” worden op initiatief van de Willehalm Ridderorde van het Woord (i.o.) sinds 6 april in dit slotkapel zondagsmiddags van 15.00 tot 18.00 uur de 12 hoofdstukken uit het in vertaling zijnde boek “Antroposofische beschouwingen over het Oude Testament” van Valentin Tomberg (1900-1973) ten gehore gebracht door Robert Jan Kelder van de Stichting Uitgeverij Willehalm Instituut als een bijdrage aan de herkerstening van Nederland en Vlaanderen. Op 9 juni zal de 9ste voorlezing onder de titel “David en Salomo” in deze reeks plaatsvinden, die met de 12de op 29 juni onder de titel “Jezus van Nazareth” afgerond zal worden, waarna het boek zelf gepresenteerd zal worden. Vervolgens zullen de 15 hoofdstukken uit Valentin Tombergs “Antroposofische beschouwingen over het Nieuwe Testament en de Openbaringen van Johannes” ten gehore worden gebracht en eveneens als boek worden uitgebracht. – De titel van deze voorlezingen is ontleend aan een uitspraak van Rudolf Steiner (1863-1925) in 1924 te Arnhem dat de inspiratiebron van de door hem onder de mensheid op aarde gebrachte antroposofie, of te wel de wetenschap van de Graal, de tijdgeest Michael en de zijnen in de geestelijke wereld is, en dat de inhoud daarvan “Het Nieuwe Christendom” kan worden genoemd. De door Valentin Tomberg  tussen 1933 en 1938 geschreven bovengenoemde Beschouwingen als resultaten van eigen geesteswetenschappelijk onderzoek zijn een wezenlijke aanvulling daarop en kunnen als zodanig de christologische grondslag vormen voor een mogelijke broodnodige herkerstening van de mensheid op aarde, waartoe recentelijk ook door hoogwaardigheidsbekleders van de Anglicaanse Kerk in Engeland en de Paus in Rome is opgeroepen.

Zijn vroege voorganger paus Clemens VI was het, naar verluidt, die in de 14de eeuw op deze historische plek een bedehuis met altaar liet bouwen als eerbetoon aan de in Oud-Zuilen geboren heilige Liudger, die de door Willibrord begonnen kerstening van de Lage Landen in opdracht van Karel de Grote heeft voltooid. Liudger studeerde in zijn jeugd bij Alcuinus in York en bleef zijn hele leven bevriend met deze geestelijke leider van het Karolingische rijk, die het overigens geheel oneens was met de wrede wijze waarop zijn andere leerling Karel de Grote de kerstening van de vrijheidslievende Saksen en Friezen afdwong. Het kan dus zeer goed mogelijk zijn (verder onderzoek moet het uitwijzen) dat de hier afgebeelde Saint Guillaume, of te wel Sint Willehalm, de 9de eeuwse stichter van het oorspronkelijke Oranjehuis in Zuid-Frankrijk en beschermheilige van het Keltisch christendom, die in zijn jeugd ook bij Alcuinus heeft gestudeerd en zelfs zijn beste leerling zou zijn geweest, Liudger heeft gekend. In zijn handen houdt de door paus Alexander II in 1066 tot beschermheilige van de ridders verklaarde Saint Guillaume een rol vast waarop staat: “Comme ils seront joyeux Seugneur ceux que tu choisiras pour te choisir.” (Hoe gelukkig zullen diegenen zijn, Heer, die U gekozen heeft om U te dienen).

Sint Willehalm
Over zijn roemrijke daden heeft de Duitse middeleeuwse ridder/poet Wolfram von Eschenbach, naast zijn “Parzival”, een epos onder de titel “Willehalm” geschreven. Daaruit blijkt volgens het door het Willehalm Instituut in 2013 uitgeven onderzoeksverslag “Willem van Oranje,Parzival en de Graal – Wolfram von Eschenbach als historicus” als deel I van een graaltrilogie van Werner Greub (1907-1997), dat deze hier te lande nog vrijwel onbekende Frankische Willem van Oranje als opperbevelhebber van het Karolingische leger in de Spaans Mark niet alleen de invallende Moren ervan weerhouden heeft om het christelijke Europa onder de voeten te lopen. Als Meester Kyot de Provençal zou hij bovendien een hoofdrol hebben gespeeld in het tot stand komen van het graalkoningschap van Parzival als ridder van het woord op Pinksterzaterdag van 12 mei, 848 in de graalburcht Munsalvaesche, door Werner Greub gelokaliseerd in de huidige Arlesheim Hermitage bij Bazel, een eeuwenoud Keltisch heiligoord, alsmede in de mondelinge overlevering daarvan door 11 generaties heen, totdat Wolfram het aan het einde van de 13de eeuw met zijn “Parzival” in de openbaarheid bracht. Volgens dit graalonderzoek van Werner Greub zou dus Sint Willehalm meer dan een generatie later in het door hem gestichte klooster Gellone in Saint-Guilhelm-le-Désert in Zuid-Frankrijk gestorven zijn dan wat de officiële, op uiteraard niet altijd betrouwbare kerkelijke bronnen gebaseerde geschiedschrijving aangeeft, namelijk op 28 mei 812 of 814.

Herdenking op 28 mei Sint Willehalmsdag
Hoe dan ook, onder aanname van deze officiële biografische gegevens vond 1200 c.q.1202 jaar later, dus op 28 mei jl. aan de voet van het ruiterstandbeeld van Willem van Oranje voor het paleis Noordeinde in Den Haag in kleine kring een ruim voorheen aangekondigd evenement plaats ter herdenking aan leven en dood van de stichter van het oorspronkelijke Oranjehuis. Daarna werden er door de petitionaris Robert Jan Kelder, directeur van de in 2005 te Amsterdam opgerichte Willehalm stichting namens de ondertekenaars twee petities aan koning Willem-Alexander t.h.v. de marechaussee van het paleis Noordeinde afgegeven.

Eerste petitie aan koning Willem-Alexander
De eerste petitie met een aantal bijlagen en hier aangeduide boeken behelst een verzoek aan Zijne Koninklijke Hoogheid, grootmeester van de naar de beschermheilige van de ridders genoemde Militaire Willemsorde, om als aanvulling daarop een Civiele Willehalm Ridderorde van het Woord (m/v) in te stellen, iets waartoe volgens onze Grondwet enkel en alleen de koning is bevoegd. Het doel van deze nieuwe c.q. de bestaande Willemsorde aanvullende ridderorde zou dan kunnen zijn: de bevordering en bescherming van Het Nieuwe Christendom.

Het Nieuwe Christendom
Als wezenlijke aanzet daartoe behoren de reeks voordrachten van Rudolf Steiner over de Evangeliën, waaronder die onder de titel “Het Vijfde Evangelie”. Hier loste hij voor het eerst het eeuwenoude raadsel van de twee blijkbaar tegenstrijdige geboorteverhalen van Jezus in het Lucas- en Mattheüs-Evangelie op door te stellen dat er inderdaad twee verschillende Jezuskinderen van twee verschillende ouders in Bethlehem geboren werden, die tijdens het bezoek van de ouders van de 12-jarige Lukasknaap aan de tempel in Jeruzalem zich op mystieke wijze vereenzelvigden tot de ene Jezus van Nazareth, waarin dan op 3 april 33 bij de doop door Johannes in de Jordaan de kosmische wezenheid Christus zich incarneerde (“Dit is mijn geliefde zoon; Heden heb Ik hem verwekt” luidt het, c.q. moet het luiden bij Lucas). Over dit mysterie van de twee Jezuskinderen, met name over hun leeftijdsverschil,  zal voor de kerst een excerpt uit de Graaltrilogie van Werner Greub onder de titel “De Jezusmysteriën – Rudolf SteinersEvangeliënchronologie en de Christusprofetie van Zarathoestra” verschijnen met een gefundeerd voorstel om een Herders- èn een Koningskribbe in te richten en een voorstelling in een planetarium over de Ster van Munsalvaesche als herhaling van de Ster van Bethlehem..     

Omvorming van de wereldeconomie

Tot “Het Nieuwe Christendom” behoort ook de graalimpuls van de huidige tijd, die volgens Rudolf Steiner bestaat in de omvorming van de huidige, op egoïsme en hebzucht gebaseerde wereldeconomie in een wereldeconomie gebaseerd op liefde voor mens, aarde en kosmos, en wel door middel van het door hem ontwikkelde nieuwe beschavingsprincipe, de sociale organica. Hieronder wordt de hele aarde gezien als het sociale organisme met zijn drie in evenwicht te brengen productiefactoren natuur, arbeid en kapitaal. Voor het belijden van deze moderne Godsdienst aan de aarde als zijnde het lichaam van Jezus Christus (zie wat Hij volgens het Johannesevangelie zei over het brood en wijn tijdens het Laatste Avondmaal) heeft Rudolf Steiner in 1922 zijn cursus Wereldeconomie gegeven, in het gevolg waarvan zijn persoonlijke leerling Herbert Witzenmann (1905-1988) een drietal sociaal-organische studies heeft geschreven, te weten “De rechtvaardige prijs – Wereldeconomie als sociale organica”, “Geldordening als bewustzijnskwestie - Een nieuw financieel stelsel vereist een nieuw beschavingsprincipe” en als laatste: “Een nieuwe economische orde – RudolfSteiners sociale organica”, met daarin een betoog “Impulsen voor de oprichting van een sociaal-organisch modelbedrijf”, die op Sint Michaëlsdag, 29 september as. zal worden uitgegeven.

De Deugden – Op naar een nieuwe hoffelijkheid
Het indienen van een petitie aan de koning om een Willehalm Ridderorde van het Woord in te stellen werd voor het eerst publiekelijk aangekondigd verleden voorjaar tijdens de internationale tekst- en schilderijententoonstelling in het Amsterdamse stadhuis “De Deugden – Op naar een nieuwe hoffelijkheid” van de verluchtingen van de kunstschilder Jan de Kok voor de 12 maandmeditaties van Herbert Witzenmann uit diens levenskunstwerk voor de adel van de geest “De Deugden – Jaargetijden van de ziel”. In het kader van deze tentoonstelling werden de aan de koning opgedragen Engelse vertalingen van “De Deugden” onder de titel “The Virtues- Seasons of the Soul” en van “Willem van Oranje, Parzival en de Graal” onder de titel “How The Grail Sites Were Found – Wolfram von Eschenbach as a Historian” gepresenteerd en naar Zijn Koninklijke Hoogheid opgestuurd. Ook het streven naar de verwezenlijking van de 12 Deugden behoort tot Het Nieuw Christendom - het is immers een poging om de omgangsvormen van De Deugden, die ook bekend zijn als Krachten, Dynamis of Geesten van de Beweging in het middenkoor van de hemelse hiërarchieën die teruggaan op Dionysius de Areopagiet in Athene als leerling van Paulus, onder de mensen op aarde te brengen, waarbij zowel de ridderlijke deugden van moed, rechtvaardigheid en trouw alsmede de geloftes van de monniken gehoorzaamheid, kuisheid en armoede op een nieuwe wijze, d.w.z. niet zozeer lichamelijk als zielsmatig met de nodige inspanning van het begrip aan de orde kunnen komen. Daarbij zou een krachtig tegengewicht gevormd kunnen worden tegen het fenomeen van de “nieuwe hufterigheid” dat niet alleen in ons land de gemoederen toenemend teistert.

Belle van Zuylen: “Ik wilde Christen zijn.”

Deze tentoonstelling is voorafgaand aan de zondagmiddagsvoorlezingen van 13.00 tot 15.00 uur nu ook hier in deze door Adam van Lockhorst in de 17de eeuw als slotkapel gebouwde kerk te bezoeken, waar ooit Belle van Zuylen in de 18de eeuw gedoopt en getrouwd is. Maar, zoals ze bekent in een brief, die op een leestafeltje naast deze voormalige Hervormde Kerk staat: “Ik wilde Christen zijn, maar God heeft mijn vraag om religie te begrijpen nooit beantwoord […] Ik kwam altijd ziek van verveling en vol treurige twijfels de kerk uit.” Zij gaf als kritische geest “avant la lettre” uiting aan een verlangen dat representatief genoemd mag worden voor velen die na haar kwamen en in toenemende mate de bevrediging van hun religieuze behoeften buiten de kerk om zochten in New Age, of Oosterse mystiek, Yoga etc. Juist voor deze zoekende geesten heeft Rudolf Steiner zijn antroposofie als zijnde een weergave van het in de geestelijke wereld aan het begin van de 19de eeuw voorbereide Nieuwe Christendom op aarde gegeven als een mogelijke, ja zelfs nodige stap van een geloofs- naar een kennisgemeenschap met de potentie om een herkerstening van de mensheid op aarde op vreedzame wijze in te leiden. In zijn spoor mag men, men oordele zelf, ook de antroposofische beschouwingen van Valentin Tomberg rekenen. Zij kunnen als vooralsnog een antwoord op de vraag van Belle van Zuylen en allen na haar zijn om “religie, met name het christendom” te kunnen begrijpen.

Het geheim van paleis Noordeinde
De tweede petitie onder de titel Het geheim van paleis Noordeinde betreft een dringend verzoek aan de koning, en wel om een gewetensonderzoek in te stellen naar het waarheidsgehalte van het boek “De Gouden Tip – De verstrengeling van onder- en bovenwereld en de moord op Gerrit Jan Heijn” van de in erbarmelijke levensomstandigheden verkerende, doodzieke schrijver Dr. Slobodan Radojev Mitric, beter bekend c.q. miskend als Karate Bob, en – mocht het inderdaad waar blijken te zijn dat niet alleen hij maar ook zijn moeder prinses Beatrix hun leven te danken hebben aan de gouden tip van deze Servische prins – dat dan publiekelijk bekend te maken, opdat op die manier, d.w.z. buiten de hier niet geldende ministeriële verantwoordelijke om, de illegale en onmenselijke deportatie van deze voormalige contra-inlichtingen agent door het ministerie van Justitie naar zijn vermoedelijk dood in het voormalige Joegoslavië voorkomen wordt en hem nog een enigszins normaal leven gegund in de korte tijd die hij waarschijnlijk nog te leven heeft om zijn levenswerk als schrijver in dienst van waarheidsvinding en rechtvaardigheid te voltooien, waarlijk als ridder van het Woord.

   Programma zondagmiddag voorlezingen over het Oude Testament


6 april:            I. Over het wezen van het Oude Testament, voorafgegaan door een inleiding over Het Nieuwe                                       Christendom van de spreker Robert  Jan Kelder
13 april:          II. De Jahwe-wezenheid. Haar betekenis in het wereldgebeuren en in de geschiedenis van de                                                      mensheid
20 april:          III. Abraham, Isaac en Jacob
27 april:          IV De geestesoverwinning van Jacob
11 mei:           V. Het kwaad in het wereldkarma aan de hand van de Bijbel
18 mei:           VI. Geestelijke leiding in de Oudtestamentische geschiedenis
25 mei:           VII. Het karma van het Israëlische volk
1 juni:             VIII. Mozes
8 juni:             IX. David en Salomo
15 juni:           X. De Babylonische gevangenschap en de wijsheid van Zarathoestra
22 juni:           XI. De Heilige Geest en de werkzaamheid van Sophia in de                                                                                                            Oudtestamentische geschiedenis
29 juni:           XII. Jezus van Nazareth

Tijd:                15.00 -18.00 uur met theepauze, mogelijk in het nabije  restaurant Belle (op eigen kotsen). Deur                                                  open om 13.00 uur ter bezoek van de tentoonstelling “De Deugden – Op naar een nieuwe                                                            hoffelijkheid”
Toegang:        Vrijwillige onkostenbijdrage van een richtbedrag  €10
Blog:                (Op deze blog worden de voorlezingen apart aangekondigd en bevindt zich een link naar de                                                         reeds voorgelezen hoofdstukken.)
Info:                Robert Jan Kelder, info@willehalm.nl
Tel:                 020-6944572; 06-23559564

 (Wijzigingen voorbehouden)