Posts tonen met het label Wit Magisch Center Amsterdam. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Wit Magisch Center Amsterdam. Alle posts tonen

woensdag 13 maart 2019

Aankondiging 7de lezing “De tekenen en wonderen van Christus Jezus volgens het Johannesevangelie” op 17 maart in het Ita Wegmanhuis te Amsterdam in het kader "Gods Rijk op Aarde realiseren - De antroposofische beweging als het Nieuwe Christendom"


Is het wegens de bar slechte reputatie die het werk en de persoon Valentin Tomberg door het euvele smaadschrift "Der Fall Tomberg" van wijlen bestuurslid van de Algemene Antroposofische Vereniging in Dornach, Sergej Prokofieff heeft gekregen - hij zou een Jezuïtische verrader van de antroposofie zijn en de Antroposofische Vereniging noch de Katholieke Kerk een goede dienst hebben bewezen - dat antroposofen het massaal laten afweten om deze lopende lezingenreeks van de 12 hoofdstukken uit het magistrale werk "Antroposofische beschouwingen over het Nieuwe Testament" van Valentin Tomberg in het kader van “Gods Rijk op Aarde realiseren – De antroposofische beweging als het Nieuwe Christendom” door de vertaler Robert Jan Kelder een bezoek waardig te achten? Wie zal het zeggen?

Dat ook orthodoxe christenen het laten afweten om de bij de 5de lezing begonnen herdoop van onze hoofdstad van een Grijs tot Wit magisch centrum van het christelijk-hermetisme bij te wonen, is echter niet zo vreemd, gezien de vooroordelen die daar immers nog steeds heersen over alles wat maar enigszins naar magie en occultisme riekt.  Daar zijn genoeg voorbeelden van. Zo kon gisteren in de reportage “Monique Le Grand wilde een heksenkring opzetten in Ermelo en Harderwijk, tot er voor haar gewaarschuwd werd vanaf de kansel” in de Verdieping van het dagblad Trouw de uitlatingen gelezen worden van ene Ria Adam (60) die “de afgelopen maanden bad tegen de komst van de natuurheks. Ze vroeg ook om gebed op de Facebookpagina ‘Christenen in Nederland’, dat gaf God haar in […], ‘Ik wilde mensen waarschuwen. Alleen bij God vind je het leven, niet in de witte magie.’”

Hoe dan ook, voor degenen die hun negatief oordeel wellicht eens willen heroverwegen aan de hand van een oorspronkelijke tekst, maar ook voor alle vrienden van de antroposofie en onbevooroordeelde christenen die nog nooit iets van Valentin Tomberg gehoord of gelezen hebben en er voor open staan, is in de bijlage onderaan deel 3 "De zeven beden van het Onze Vader als de weg naar een nieuwe lotsverhouding tot God de Vader" uit het 6de hoofdstuk van deze Beschouwingen te lezen, dat vorige zondagmiddag, 10 maart voor een klein, maar trouw gezelschap in de Grote Zaal van het Ita Wegmanhuis ten gehoor werd gebracht. (Deze tekst veronderstelt wel een basiskennis van de antroposofie over de wezensdelen van de mens als lichaam,ziel en geest en het kosmisch ontstaan en ontwikkeling van de aarde, die in de basiswerken “Theosofie” en “ De Wetenschap van de geheimen der ziel” van Rudolf Steiner te verschaffen is.)

Dit bestand begint met een beschouwing over de ontwikkeling van het begrip nadenken via het begrip meditatie naar dat van de bede en vormt als zodanig een verdiepende aanvulling op de aankondiging in het maandblad Motief van deze maand "Mediteren, waarom zou je?" van Jaap van de Weg voor de "Dag over meditatie" dat voor de derde keer de Antroposofische Vereniging in Nederland  organiseert over dat actuele onderwerp. Daarna gaat dit bestand over naar een inspirerende beschouwing van wat je "Het Onze Vader 2.0" zou kunnen noemen, daar het een grote vertaalslag van deze 7 beden maakt van het bewustzijnsniveau van de verstands- of gemoedsziel uit de tijd dat Jezus Christus "Het Onze Vader" de mensheid toevertrouwde tot het kritische bewustszijnszielentijdperk van de huidige mensheid.

Op zondagmiddag 17 maart zal vervolgens het 7de hoofdstuk "De tekenen en wonderen van Christus Jezus volgens het Johannes-evangelie" ten gehoor worden gebracht, voorafgegaan door een inleiding en commentaar op de verdere poging om aan de hand van dit werk van Valentin Tomberg, die door spreker als de gereïncarneerde Hermes Tresmegistos, de stichter van de oer-oude Egyptische beschaving werd voorgesteld, ondersteund door de grafiek "Ons kosmisch systeem" van Willy Conrad, dat in één opslag alle geheimen van de wetenschap van de ziel prijsgeeft, een beursbanner van het beeldhouwwerk "De mensheidsrepresentant" van Rudolf Steiner en een deeltentoonstelling van de "Deugden - Krachten van het Nieuwe Christendom" van de schrijver Herbert Witzenmann en de kunstschilder Jan de Kok, om dus aan de hand daarvan onze keizerlijke hoofdstad van een Grijs tot een Wit magisch centrum van het christelijk-hermetisme te herdopen. Wellicht zal reeds dan en daar een proefexemplaar 0.1. van "De Godsvriend -Orgaan van de Willehalm Ridderorde van het Woord (i.o.)", dat verleden zondag werd aangekondigd, het daglicht al zien.

Voor de datums van deze en de nog 5 volgende voorlezingen, die apart bezocht kunnen worden, en voor aankondigingen en berichten van de vorige afleveringen, zie onderaan en de rest van deze blog "Het Nieuwe Christendom". Toegang is gratis, wel is een vrije bijdrage van € 10,00 ter dekking van de onkosten gewenst. Voor tee, koffie en/of limonade voor deze door sommige als marathon ondervonden lezingen wordt gezorgd. De slag bij Marathon onder aanvoering van de Atheense krijgsheer en staatsman Miltiades werd echter tegen de grote overmacht van het Perzisch leger gewonnen, doordat de Grieken geïnspireerd werden, zo verteld Rudolf Steiner, door de machtige impuls van de Griekse mysteriën.

Moge de impuls van de door Rudolf Steiner opnieuw opgerichte en door Valentin Tomberg verdiepte mysteriewijsheid, de antroposofie, de nodige kracht en wijsheid verlenen om de doop en verdere bloei en groei van Amsterdam met de haar door Koningin Wilhelmina verleende motto's "Heldhaftig, Standvastig en Barmhartig" op haar keizerlijk wapen als Wit magisch centrum geleidelijk aan te voltooien!

* * *

Programma:

VII. Zondag 17 maart: De tekenen en wonderen van Christus Jezus naar het Johannes-Evangelie 
VIII. Zondag 24 maart:  De genezing van de blindgeborene en de opwekking van Lazarus
IX. Zondag 31 maart:     De Lijdensweg
X. Zondag 7 april:          De hogere treden  van de Lijdensweg
XI. Zondag 26 mei:        Het Mysterie van Golgotha
XII. Zondag 2 juni:        De Pinkstergebeurtenis

Locatie en tijd: Grote zaal van het ITA Wegmanhuis, Weteringschans 74, 1017 XR Amsterdam van 14:30-18:00 uur
Informatie: Willehalm Stichting, Kerkstraat 386a, 1017 JB Amsterdam; info@willehalm.nl; Tel. 06-23559564; 020-6944572
Toegang: Gratis, aanmelding is niet nodig; vrijwillige donatie gewenst (richtbedrag ± 10 Euro)
Noot: Alle hoofdstukken zijn als werkvertaling na te lezen op: http://jezus-van-nazareth.blogspot.nl


Bijlage:

3. De zeven beden van het Onze Vader als de
weg naar een nieuwe lotsverhouding tot God de Vader[1]


Noot vooraf: Onderstaande tekst is deel 3 van het 6de hoofdstuk “Het Onze Vader als een weg tot lotsverbinding met God De Vader” uit “Antroposofische beschouwingen over het Nieuwe Testament” van Valentin Tomberg, waarvan alle 12 hoofdstukken hier na te lezen zijn. Zoals al gezegd, veronderstelt deze tekst een basiskennis van de antroposofie van Rudolf Steiner die te verschaffen is in zijn basiswerken "Theosofie" en "De wetenschap van de geheimen der ziel" 

Het behoort tot de echt moeilijke taken van de huidige tijd om tegenover hen die door de geesteswetenschap onberoerd gebleven zijn, het verschil tussen nadenken, reflectie en meditatie duidelijk te maken. Dit wordt in het bijzonder bemoeilijkt doordat enerzijds de meditatie als gevolg van een dieper nadenken zich voordoet, maar dat zij anderzijds in bepaalde opzichten van het nadenken niet alleen verschilt, maar daaraan ook tegengesteld is. Want terwijl het bij het gewone denken erom gaat een uniek inzicht in het onderwerp van de overdenking te verkrijgen, gaat het bij meditatie om een herhaalde onderdompeling in een zodanig inzicht. Het denken stopt op het punt waar het iets ontdekt heeft – voor het zich nog langer bezig houden met het reeds gekende vindt het geen aanleiding. Dit is echter het punt waarop de meditatie kan beginnen. Want de aanleiding tot meditatie ligt niet in het verkrijgen van een nieuwe kennis, maar in de mogelijkheid om in de reeds verworven kennis te leven.
            Niet het vinden van een nieuwe gedachte-inhoud is de beweegrede tot meditatie, maar het onderbrengen van deze inhoud in het voelen en in het willen. De waarheidsinhoud tot inhoud van de hele mens te maken – dit is het doel van de meditatie, die zo lang wordt volgehouden als het nodig is om de heldere gedachte-inhoud tot heldere kracht-inhoud van de wil te transformeren. Daarom is meditatie een oefening, terwijl het nadenken een eenmalige doelhandeling is.
            Maar nu gebeurt er met de meditatie in de loop van haar ontwikkeling een soortgelijke metamorfose, als in de loop van de ontwikkeling van het nadenken dat tot meditatie wordt. Zoals het tot inzicht gekomen nadenken op dit punt ofwel kan stoppen ofwel zich kan omzetten in het beoefenen van meditatie, zo kan een tot de wilsdoorlichting voorgedrongen meditatie ofwel op dit punt ophouden, ofwel zich in een andere, hogere activiteit transformeren. Deze hogere activiteit die uit de meditatie – als haar hoger stadium – tot bloei kan komen, knoopt aan bij het punt waar de oorspronkelijke beweegreden tot meditatie zichzelf heeft uitgeput. Want wanneer het doel van de meditant erin bestaat om zich volledig met een inhoud te doordringen, dan kan zich eenmaal het moment voordoen waarop de meditant weet: de gedachte vervult mijn hele wezen.
            Dit moment kan echter tegelijkertijd de beweegrede tot een verdere activiteit baren. Want doordat de inhoud van de meditatie de wil doordringt, wordt deze tot een aan de wereld gewijde wil. Deze toewijding van de wil aan de wereld brengt ook de eis met zich mee naar de activiteit ervan ten bate van de wereld. Was de beweegreden van de meditatie tot dan toe de bekrachtiging van de heldere en goede krachten van de eigen ziel, nu wordt ze tot de wil om tot de bekrachtiging van het goede en het heldere in de wereld bij te dragen. De herhaalde oefening van de krachten van de ziel wordt als gevolg daarvan tot een herhaalde uitoefening van deze krachten. Daarbij is er geen sprake meer van dat er iets voor de eigen ontwikkeling wordt gedaan, maar gaat het er met name om dat er iets noodzakelijks in de wereld geschiede. Meditatie wordt daarmee tot een bewuste deelname aan het objectieve wereldgebeuren.
            De vraag naar wezen en oorsprong van het Godsbegrip kan bv. tot een veelzijdige en diepe overdenking aanleiding geven. Zo kan de sedert oertijden als een zegelafdruk in het bewustzijn van de mensheid ingeprente "Naam van de Vader" tot onderwerp van meditatie worden. Deze meditatie verheft zich echter tot deelname aan een geestelijk gebeuren, wanneer de mens de krachten van zijn denken, voelen en willen laat instromen in de zin: Uw Naam worde geheiligd. Dan komt het noch op de vraag: wat is de naam aan, noch alleen op de oefening ten behoeve van scholing; maar komt het er op aan dat de naam van de Vader geheiligd worde.
            Een dergelijke in naam van de mensheid volbrachte uitstroom van denk-, gevoels- en wilskracht van de mens geschiedt vanuit een levende verbintenis met een hogere wezensdeel van de mens dan de wezensdelen die als tot de ziel behorend worden aangeduid. Want het nadenken dat zich van het logisch denkvermogen bedient, is een activiteit die door de verstandsziel mogelijk wordt gemaakt. Wordt het nadenken tot meditatie, in de zin van een zich steeds intensievere bewustwording van het reeds gekende, dan is bij de meditatieve inspanning de bewustzijnsziel actief; maar wanneer de meditatie het stadium bereikt van deelname aan het macrokosmische gebeuren, dan treedt in de geestelijke activiteit van de mens het geestzelf (Manas) op. Dit laatste uit zich in het feit dat de mens zijn krachten aan de wereldaangelegenheden toewijdt.
            Van de wereldaangelegenheden, waaraan de mens zich kan wijden, komt hem allereerst als het belangrijkste voor om de vervreemding van hemel en aarde tegen te gaan, doordat hij ernaar kan streven om een verbinding tussen beide rijken te scheppen. Dit is de eerste opgave van het vrije menselijke Ik: een vrije schakel tussen hemel en aarde te worden.
            Nu is het Ik datgene wat de oereigenste wezensgesteldheid van de mens inhoudt. Het Ik van de mens is zijn ware naam in de kosmos. Deze naam kan alleen de mens in kwestie uitspreken (een feit waar Rudolf Steiner enkele malen in verschillende contexten op heeft gewezen). Geen mens kan tegenover de ander "Ik" zeggen; dit woord heeft alleen betekenis en belang wanneer het uit de mond van de betrokken mens zelf vernomen wordt. Deze onzinnigheid van het oereigen naamgebruik van de ene mens tegenover de andere is tegelijk uitdrukking van de onschendbaarheid van het innerlijke heiligdom, van de vrijheid, van het Ik. De uitspreekbaarheid van de "naam" van een ander mens is de alleruiterlijkste zintuiglijk waarneembare uitdrukking van het feit van het beschermd-zijn van deze naam, als het oereigendom van de mens, tegen misbruik – d.w.z. tegen de verkrachting van zijn vrijheid. Dat het heiligdom van de menselijke naam geheiligd wordt – daar wordt door het wereldkarma voor gezorgd, zolang de mens zelf zijn "naam" niet verraadt, d.w.z. vrijheid niet zelf opgeeft en zich voor een andere macht bewust buigt (Lucas 4:7).
            Zoals de menselijk "naam" alleen door de betreffende mens zelf "uitgesproken" kan worden, zo kan de "Naam" van God de Vader door niemand in de bovenstaande zin "uitgesproken" worden. Want de individualiteiten van de wezens van de wereld zijn uit de Vaderwezenheid ontstaan, zodat de Vaderwezenheid voor alle wezens transsubjectief is, d.w.z. dat het achter het individuele subject staat. En doordat de individualiteiten van die wezens er zijn, spreekt de Vaderwezenheid hun "namen" zelf uit. De enkele individualiteiten zijn "letters" waardoor het "woord" van de gesproken Naam van de Vader tot uitdrukking komt. En de gezamenlijkheid van de menselijke individualiteiten betekenen de Naam van de Vader, zoals Hij zich door de menselijke hiërarchie in de wereld manifesteert. Daarom zegt de eerste bede van het Onze Vader volgens haar inhoud: "Geheiligd worde de vrijheid van alle individualiteiten van de mensheid, zoals de vrijheid van de individuele persoonlijkheden geheiligd is, want de vrijheid van het individu (zijn "naam") heeft slechts zin en betekenis wanneer ze in de grote Vrijheidsnaam van de mensheid, dat is de Naam van de Vader, meeklinkt" –
            "Uw Naam worde geheiligd" is dus de bede om de verwezenlijking van de hiërarchie van de vrijheid als geheel; Het is de bede om de grote samenklank van de vele namen in de ene Naam van de Vader, welke geen louter som van individuele namen is, maar een openbaring van de Vader door de samenklank van alle wezens van de menselijke hiërarchie. En er mag – in de zin van deze bede – van dit koor geen enkel wezen verloren gaan, want dan zou de openbaring van de grote Naam onvolledig zijn. Geheiligd dient de grote Naam van de Vader te worden – en daarmee ook alle individuele persoonlijkheden, toegevoegd als die zijn aan de geheiligde, d.w.z. onaantastbare en beschermde Al-vereniging in de Naam van de Vader.
            Het streven naar deze Al-vereniging is de wezensopenbaring van het geestzelf of Manas in de mens, d.w.z. van de drager van de missie van het Ik, van zijn ware individuele "naam", van incarnatie tot incarnatie. Het geestzelf is eigenlijk dat wezensdeel van de mens dat ernaar streeft om de in de wereldharmonie begrepen toon van de individualiteit tot gelding te brengen.
            Nu zou deze toon tot zijn recht gekomen zijn, wanneer ze niet door een valse toon, een verkeerde naam tegengewerkt zou zijn. Want zoals het geestzelf op de harmonie van de individualiteit met de kosmos is ingesteld, zo is het Luciferisch persoonlijkheidsprincipe in het astraallichaam op een eigen toon ingesteld, die met de wereldharmonie geen rekening houdt. Ten gevolge van deze Luciferische inslag ontstaat de kakofonie, de dissonantie in de menselijke hiërarchie.
            Alle versplintering van de mensheid geschiedt als gevolg van deze "valse naam" van de mens, die uit het principe van het egoïsme ontstaan is. En tegen die versnippering van de mensheid, tegen de valse vrijheid van het egoïsme, is de bede van het Onze Vader gericht: "Uw Naam worde geheiligd" – aan welke bede de vaststelling ten grondslag ligt dat de heiliging van de Naam van de Vader de heiliging van elke individuele ware naam beduidt, maar dat de ware naam van het individuele wezen alleen tot gelding kan komen, doordat de mens de "naam", de innerlijke vrijheid, van ieder ander mens als even heilig beschouwt als zijn naam geheiligd is, want alle "namen" zijn uitdrukkingstekens van de Naam van de Vader.
            Zo ligt aan de eerste bede van het Onze Vader het weegschaalprincipe ten grondslag. Men zou dus bij de bede: "Uw Naam worde geheiligd", de woorden: "zoals wij de namen van de mensen heiligen" innerlijk erbij kunnen denken. Dit erbij te denkende deel van de bede geeft de innerlijke rechtvaardiging voor de bede. Want alleen het heilig houden van de innerlijke vrijheidsbron in de andere mens geeft de mens het recht de bede uit te spreken, dat door deze vrijheidsbron van alle mensen de Vader Zich openbare en ze allen heilige, doordat Zijn Naam zelf geheiligd worde.
            Maar in tegenstelling tot bv. de vijfde bede van het Onze Vader, waar het gerechtvaardigde deel van de bede wel wordt uitgesproken, blijft dit deel in de eerste bede onuitgesproken. De reden voor dit zwijgen kan uiteraard worden ingezien, wanneer men bedenkt dat het Onze Vader enerzijds in een bepaalde ontwikkelingstijdperk van de mensheid gegeven werd, maar dat het anderzijds niet alleen voor dat ontwikkelingstijdperk bedoeld was. Kan dan over dat ontwikkelingsstadium naar de vrijheid dat in het vierde tijdperk werd bereikt, zelfs ook over het huidige ontwikkelingsstadium van, in exoterisch-algemene zin gezegd worden: "zoals wij de naam van de mens heiligen"? Werd destijds – en wordt vandaag de dag – de onaantastbaarheid van de menselijke innerlijke vrijheid zo hoog gewaardeerd dat zulk een woord met het werkelijke ontwikkelingsstadium van de mensheid overeenkwam en ook nu nog overeenkomt? – De onuitgesproken delen van het Onze Vader zullen verklinken – geleidelijk aan – wanneer de mensheid het overeenkomstige stadium van spirituele ontwikkeling zal hebben bereikt. En gedurende het zesde tijdperk (van "Filadelfia" uit de Openbaringen) zal de Manas-bede van het Onze Vader ook in haar onuitgesproken deel voor het bewustzijn van een bredere kring van de mensheid klinken.

Ligt de essentie van het streven van het geestzelf in de bede om de geheiligde Al-vereniging van alle mensen, de essentie van het streven van de levensgeest (Buddhi) gaat in die richting verder. Daarbij gaat het niet alleen om de verwezenlijking van de eenheid van de menselijke hiërarchie, maar vooral om de verwezenlijking van de missie van deze verenigde menselijke hiërarchie ten opzichte van andere wezens. Want er zijn in de wereld wezens die van de mensheid afhankelijk zijn. Dat zijn de wezens die door het totaalbegrip "de natuur" worden samengevat. De afhankelijkheid van de natuurrijken van de mensheid bestaat hieruit dat de natuur weliswaar aan zog. "natuurwetten" onderworpen is, maar dat de morele wet alleen in het innerlijk van de mens geldt, terwijl de Natuur daarvan is uitgesloten.
            Dit feit en de daaruit voor de mensheid voortvloeiende opgaven en plichten werden reeds in de vorige beschouwing (in verband met de spreuk "Het zout der aarde") besproken; datgene waar het hier op aankomt is een verdere stap te zetten, in de zin van een dieper en nauwkeuriger begrip van deze opgaven en plichten. En wel komt het daarbij in eerste instantie erop aan dat men de fasen van het verlossingswerk van de natuur door de mensheid nader gaat bezien.
            De eerste van deze fasen is het inzicht van de tot gewetensziel uitgegroeide bewustzijnsziel in de samenhang tussen de toestand van de natuur als decadente menselijkheid en de menselijke zondeval; daarop volgt als verdere stap de verwerkelijking van de verbinding van de natuur met het moreel-geestelijke door de Manas-dragende mensheid.
            Maar deze verbinding, die door het toevoegen van het "zout der aarde", de morele ether, verwerkelijkt zal worden, betekent nog niet de verlossing van de natuur. Dit laatste is aan het toekomstige Venus-bestaan van de aardeontwikkeling voorbehouden, wanneer het Buddhi- of het levensgeestprincipe van de mensheid volledig ontplooid zal zijn. Dan zal de van de menselijke morele kracht afkomstige straling niet alleen richtinggevend voor de natuur zijn, maar ze zal de natuurwezens zelf van morele levenskracht voorzien. De natuur zal dan niet alleen geleid worden, doordat ze de mensen vol vertrouwen zal volgen, maar ze zal zelf in het bezit van eigen morele krachten komen. Dan zullen bv. de nakomelingen van het aardse plantenrijk niet meer volgens "organische", maar volgens morele wetten, door groei hun vorm bestemmen. Er zullen daar niet meer soorten van bv. fanerogame [zaaddragende] en cryptogame [niet zaaddragende] wortelgewassen en van bladdragende en bladloze of wortelloze planten zijn, maar imaginatief-bewegende gestalten van  bv. goedheid, dankbaarheid, deemoed, enz., welke in klankvolle openbaring tot bloei komen.
            Het rijk van de natuur zal dan tot een wezenlijk ander rijk worden. Het zal zich moreel oprichten en een zelfstandige relatie met het Rijk der hemelen verkrijgen, en dan niet in de zin van een geharde weerspiegeling van het kosmische verleden, maar in de zin van een tegenwoordige reactie op de geestelijke gebeurtenissen in de hemelen. De natuur zal dan uit haar slaap ontwaken, d.w.z. ze zal niet langer op droomherinneringen uit het verleden aangewezen zijn, maar in de geestelijke tegenwoordigheid worden geplaatst. Het Rijk van de Vader zal tegenwoordig worden. De bede die het wezenlijke streven van de levensgeest, van het Buddhi, tot uitdrukking brengt: "Uw Rijk kome" is de bede om het tegenwoordig worden van het Rijk der Hemelen in de natuur.
            Opdat deze bede echter ook gerechtvaardigd zij, moet ze iets bevatten – zij het ook onuitgesproken – dat op de andere schaal van de weegschaal kan worden geplaatst.
            Indien de natuur in een andere relatie tot de Godheid dient te komen, dan zou uiteraard ook de mensheid iets vanuit zichzelf gedaan moeten hebben, opdat een dergelijke verandering geschiedde. Want als de bede daaruit bestaat dat de natuur van de banden van het verleden bevrijd worde en het Rijk der Hemelen tegenwoordig worde, dan zou van de kant van de mensheid, in haar verhouding tot de tijd, iets moeten geschieden dat met de verandering in de verhouding van de natuur tot de tijd overeenkomt.
            Opdat de natuur de tegenwoordigheid van het Rijk verleend worde (d.w.z. met andere woorden dat de ziel van de natuur ontwake, want de tegenwoordigheid is het principe van de ziel, zoals de toekomst het principe van de geest is en het verleden dat van het lichaam), heeft de mensheid zelf van de tegenwoordigheid af te zien en de toekomst te leven. Dit is de wezensaard van het Buddhi-bewustzijn: al het tegenwoordige wordt aan de omgeving weggegeven, terwijl de mens zelf alleen van en voor de toekomst leeft. En doordat het Buddhi-bewustzijn in de mensheid geldend zal worden, zal de mensheid haar ziel in de natuur doen uitstromen, terwijl ze zelf aan de geest zal zijn toegewijd.
            Van het tegenwoordige zal ze afzien ten gunste van de natuur en zelf zal ze aan de voorbereiding en verwerkelijking van de toekomst gewijd zijn. In die zin zou de tweede bede van het Onze Vader als geheel ongeveer op de volgende wijze opgevat kunnen worden: "Uw Rijk worde tegenwoordig, zoals wij de toekomst leven. Verlosse de natuur van de banden met het rijk van het verleden en schenke haar de tegenwoordigheid van Uw Rijk, zoals wij afzien van het tegenwoordige rijk en ons aan het Rijk van de toekomst wijden".
            Nu is echter toewijding aan de toekomst in wezen het leven voor de doelstellingen van de toekomst, die de mens in zijn wil opneemt. Dan leeft hij in zijn wil de toekomst vooruit, terwijl hij zijn hart aan de omgeving wijdt. Deze toestand van bewustzijn is de toestand van zijn kruisiging. De kruisiging is de opofferende toewijding van de hartekrachten – d.w.z., die van het heden – aan de omgeving, terwijl de wil zich tot in de verre toekomst uitstrekt. De bede van de komst van het Rijk bevat om deze reden steeds een zekere mate van kruisiging van het menselijk bewustzijn. En de mate van zijn kruisiging is ook bepalend voor de mate van gerechtvaardigdheid en daarmee van de werkzaamheid van de bede.

De offerdaad van het menselijk bewustzijn kan echter nog verder gaan dan het afstand doen van het tegenwoordige. Het kan het ook van de wil van de toekomst afzien. Dan is het offer een volledig offer, van het bewustzijn blijft niets over – zelfs zijn bestaan wordt dan twijfelachtig. Volbrengt het bewustzijn deze hoogste offerdaad, dan gaat het door de doodervaring heen. En het wonder van zijn opstanding, hetwelk daarop volgen kan, is de daad van God de Vader die de openbaring van de realiteit van de geestmens (Atma) veroorzaakt.
            De bede "Uw wil geschiede op aarde, zoals ook in de hemel" is het afstand doen van de wil, maar het is tegelijk de overdracht van deze wil aan de wezens van het lagere rijk.
            Zoals de volledige verwerkelijking van de tweede bede aan het toekomstige Venus-bestaan wordt voorbehouden, zo wordt de volledige verwerkelijking van de derde bede aan het toekomstige Vulcanus-bestaan voorbehouden. Want het is een letterlijke, vooral in het bijzonder voor het Onze Vader geldende waarheid, die door de woorden: "Hemel en aarde zullen voorbij gaan, maar mijn woorden zullen geenszins voorbijgaan" werd aangekondigd.
            Aldus hebben de woorden van de derde bede geldigheid tot in de Vulcanus-periode van ontwikkeling van de mensheid. En deze geldigheid zal zich in deze periode vooral bewijzen doordat, als gevolg van de opofferende dood en opstanding van het gevorderde stadium van de mensheid, het lagere, achtergebleven mensenrijk zal worden verlost. Dan zal het binnenste van de aarde zelf, de kern van het kwaad, worden getransformeerd, en de wil van de Vader zal letterlijk op aarde geschieden zoals die in de hemel geschiedt.
            De eerste drie beden van het Onze Vader bevatten dus, als hun innerlijke rechtvaardiging, het afstand doen van het eigen denken, d.w.z. van de eigen naamgeving, van het voelen en het willen. En daarbij is het afstand doen van het eigen denken de voorwaarde voor de Manas-bede; het afstand doen van het eigen voelen is verbonden met de Buddhi-bede en het afstand doen van het eigen willen is bevat in de Atma-bede van het Onze Vader.

De laatste bede omvat niet alleen de mensheid en de natuur, maar ook de ondernatuur, d.w.z. ook datgene wat tegenwoordig vanuit het binnenste van de aarde in de zin van het kwaad aan het aardoppervlak naar boven werkt. Deze werking is aan het aardoppervlak in alles wat stoffelijk is tegenwoordig.
            Nu is echter ook de verticaal gerichte, al het stoffelijke doordringende Vaderwerking eveneens in al het stoffelijke aanwezig. Het brood dat wij eten kan dus de drager van zowel de ene als de andere werking zijn. Het kan enerzijds de werking van het sacrament van het Avondmaal, van de Communie zijn, het kan echter anderzijds als middel tot bv. verduistering van het bewustzijn dienen dat miljoenen mensen tot een gemeenschap van haat, die het "dagelijks brood" op zijn banier draagt, verenigt.
            Er is nauwelijks een misdaad die niet in naam van het dagelijks brood zou zijn gepleegd; er is echter in de fysieke wereld niets heiligers, en in diepste zin ook niets dat meer heiligend werkt dan het brood van de Communie.
            Deze dubbele betekenis van het brood was de onderliggende oorzaak van de twee verschillende interpretaties van de vierde bede van het Onze Vader. Want er waren in de eerste eeuwen van de christelijke jaartelling twee leeswijzen van deze bede: "Geef ons heden ons substantiële brood (ton arton hemon ton epiusion-panem substantionalem )" Maar het gaat niet om de leeswijze, maar dat men begrijpt dat in het brood zelf twee werkingsrijken elkaar ontmoeten. En met name komt het erop aan dat het van de mens afhangt met welk rijk hij door het brood in een verhouding tot de Communie komt te staan.
            Want de betekenis van de vierde bede, als verzoek, bestaat juist in het feit dat ons brood uit handen van de Vader tegenwoordig ("vandaag") ontvangen wordt. Het gaat dus bij deze bede om de instelling van het menselijk bewustzijn op de Vaderwerking in het brood als fysieke substantie. Het gaat ook niet om een louter symbolisch "brood", noch om de louter symbolische voedingsstof. Want voeding is datgene wat nodig is voor het leven in een fysiek lichaam op aarde – maar het is niet alleen nodig opdat de mens leve, maar ook opdat hij als mens kan leven.
            Het fysieke lichaam is niet alleen een combinatie van stoffen, maar ook een krachtenstructuur van de morele wilskrachten van de wereld. En als zodanig heeft het enerzijds stoffen, anderzijds morele krachten nodig om niet alleen als louter fysieke structuur, maar ook als een op het geestelijk-psychische wezen van de mens gerichte organisatie behouden te blijven.
            Het lichaam van de mens leeft, als menselijk lichaam, in letterlijke zin "niet van brood alleen, maar van ieder woord dat uit de mond van God komt". In de diepste diepten van het onderbewustzijn klinkt het woord van God, het lichaam vormgevend en ondersteunend, zoals aan de andere kant in de diepten van de stofwisseling de processen van de assimilatie van voedingsstoffen voor de opbouw van het lichaam plaatsvinden. En feitelijk behoort tot het leven en handhaven van het lichaam zowel het ene als het andere.
            In het tegenwoordige moment ("vandaag de dag") dienen deze twee levensvoorwaarden van het lichaam in evenwicht te blijven. In de verleidingsscène in de woestijn werd het feit van de noodzaak van dit evenwicht door de woorden van de Christus Jezus uitgedrukt, toen Hij zei: "Niet van brood alleen leeft de mens, maar van ieder woord dat uit de mond van God komt".
            Daarmee is de vierde bede van het Onze Vader een uitdrukking van de noodzaak van dit evenwicht, een bede om dit evenwicht. Volgens haar innerlijke betekenis is deze bede de bede van de mensheid om dezelfde kracht die de Christus Jezus openbaarde bij de afwijzing van de verzoeking om stenen in brood om te zetten. Ze zou om die reden ook ongeveer op de volgende wijze begripsmatig kunnen worden uitgedrukt: "Geef ons in de tegenwoordige tijd het aardse brood, dat net zo met Uw werking is doordesemd als het hemelse woord met de werking van Uw wezen is doordesemd, waar we hongerend naar verlangen".

Heeft de vierde bede betrekking op de stofwisselings- en wilsprocessen in het fysieke lichaam, zo heeft de vijfde bede betrekking op het overeenkomstig innerlijk werkingsgebied van het etherlichaam. Want ook het etherlichaam heeft een soort van "stofwisselings-wilsorganisatie". Zijn "stofwisseling" manifesteert zich in zijn herinnerings­leven; de belevenissen uit het verleden leven in het etherlichaam verder en vullen hem evenzo als de voedingsstoffen het fysieke lichaam vullen. Zijn wilsactiviteit uit zich echter in de morele processen van "onthouden" en "vergeten", d.w.z. in het uitwissen van bepaalde belevenissen of, in tegendeel, in het versterken ervan.
            Zo draagt het etherlichaam in zich zowel ervaringen uit het verleden, die door koudestromingen verschrompeling veroorzaken, alsook zulke ervaringen die door warmtestralingen wezensgroei veroorzaken.
            De morele kant van "behouden" en "vergeten" in het etherlichaam bestaat vooral uit het feit dat ofwel de ziekmakende negatieve inhoud door de positieve, gezondmakende inhoud overstraald worden, ofwel dat de eerste de laatste overstralen. De mens kan in zijn levensloop daaraan niets meer veranderen; het verleden staat daar, onbeweeglijk en onveranderlijk, en haar schulden staan vast als pijlers. En juist omdat de mens daar direct niets aan kan veranderen, richt hij de vijfde bede van het Onze Vader tot God de Vader. Alleen doet hij dat niet in zijn eigen naam, vanwege alleen zijn persoonlijke schuld, maar in naam van de mensheid, vanwege de schuld van de mensheid.
            De inhoud van de bede is de hoop dat het negatieve verleden waaraan de mensheid lijdt, zal worden verwijderd. Dit uitwissen van het verleden, als een moreel-bewust "vergeten", is vergeving. De vergeving van de kant van de Vader kan echter alleen gebeuren in het geval dat op de menselijke, onderste schaal van de karmische weegschaal een tegenwaarde gelegd wordt. Zodoende is de voorwaarde voor de vergeving van onze schuld dat wij onze schuldenaren vergeven.
            Als de mens tegenover andere mensen het negatieve in morele zin leert te "vergeten" in zijn astrale wezen, waar het uiteraard in zijn macht ligt om de inhouden te veranderen, dan zal ook in zijn etherlichaam, waar hij geen macht heeft om iets te veranderen, zijn negatieve inhouden worden verwijderd. Wie in zijn astraallichaam de inhoud van de schuld van de ander astraal, d.w.z. als antipathie, uitwist, bij hem zullen ook overeenkomstig in zijn etherisch lichaam de inhouden van zijn schuld etherisch, d.w.z. als diepe ziekteoorzaken verwijderd worden.
            Nu gaat het echter bij de vijfde bede, zoals gezegd, niet alleen om individuele zaken, maar om al het individuele omvattende mensheidsaangelegenheden. Daarom wordt ook niet deze of gene schuld bedoeld wanneer er om vergeving gevraagd wordt, maar de schuld van de mensheid waar de individuele schulden uit volgen. Deze schuld van de mensheid is echter dezelfde schuld die als mogelijkheid bij de verzoeking in de woestijn tot de Christus Jezus naderde, namelijk om de aarde in bezit te nemen tegen de prijs van de aanbidding van de Heer van deze wereld. De Christus Jezus verwierp deze verzoeking; de mensheid echter was bij de oerverzoeking in het paradijs hiervoor gezwicht.
            De zogenaamde "erfzonde" is het resultaat van de oerschuld van de mensheid, die enerzijds heerser en meester van de Aarde werd, maar daarna in een afhankelijkheidsrelatie met de vorst van deze wereld verzeild raakte. De vergeving van de individuele schuld van andere mensen kan dus het effect hebben dat de niet individuele erfzonde in haar gevolgen wordt uitgedelgd. Want de bede sluit zich elke keer bij de stem van de Zoon aan, die steeds het voorbede-argument: "Vergeef hen, want zij wisten niet wat zij doen" aan de Vader voorlegt. Opdat dit geschiede werd de vijfde bede van het Onze Vader, het gebed van de genezing van de gevolgen van de erfzonde, door Christus Jezus voor de mensheid uitgesproken: "En vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren".

Terwijl het bij de vijfde bede om de vergeving van de algemene schuld gaat, de bede die haar rechtvaardiging vond in de vergeving door de enkeling van de individuele schulden van andere mensen naar hem toe, gaat het in de zesde bede juist om de eigen individuele schulden van de mensen. En wel in die zin gaat het daar om de individuele schulden van de mensen, in zover dat de bron, de mogelijkheid van een dergelijke schuldenlast het onderwerp van de bede is. Want de verzoeking is de oorzaak en het begin van een dergelijke schuldenlast.
            Nu is de tekst van de zesde bede een zodanige, dat men de indruk krijgt alsof God de Vader de mens zou proberen te verzoeken. Dat dit ondenkbaar is ligt voor de hand; dat echter de bede nog steeds luidt: "Leid ons niet in verzoeking" is eveneens een feit. De raadselachtigheid  van deze paradox lost zich op, wanneer men de verhouding van het kwaad tot God de Vader in de diepere zin opvat, waarin die bv. in het boek Job in het Oude Testament wordt weergegeven, of ook in Goethe’s Faust (Proloog in de hemel). Aan het kwaad wordt daar door God de Vader een termijn verleend, waarin de mens door het kwaad mag worden verleid, om beproefd te worden. Zulke termijnen zijn er daadwerkelijk, zowel in het leven van de individuele mens alsook in de loop van de geschiedenis van de mensheid. Zo is bv. wat men als het "Kali-Yuga" aanduidt een dergelijke termijn in de geschiedenis van de mensheid.
            Het "in verzoeking leiden" bestaat dus enerzijds hieruit, dat aan de verzoekende machten de mogelijkheid wordt verleend van buitenaf aan te treden; anderzijds bestaat ze echter uit het feit dat in het menselijke astraallichaam door de Luciferische invloed de natuurlijke neiging aanwezig is om aan de verzoeking ten prooi te vallen. Het menselijke Ik is uiteraard in een positie om niet aan deze neiging toe te geven. Dat het menselijke Ik tegen de innerlijke verleiding stand houdt, blijkt uit het feit dat het aan de macht van het goede en de waarheid – die niet als uiterlijke kracht, maar door zijn wezenheid zelf werkt – niet twijfelt. Want achter ieder grijpen naar uiterlijke machtsmiddelen en maatregelen (ook ten behoeve van het leiden van de mensen tot het goede) verschuilt zich de twijfel aan de onmiddellijke effectiviteit van het ware en het goede, d.w.z. het ongeloof in God. En dit gebrek aan geloof in de kracht van het ware en het goede, door de inhoud zelf ervan, uit zich met name in de eis dat deze macht zich uiterlijk dient te tonen.
            Het karma moest tijdens het Kali-Yuga als een geheim voor het bewustzijn van de Europese mensheid bewaard blijven, opdat deze mensheid de beproeving zou doorstaan en het geloof in het ware en het goede op zichzelf, niet echter omwille van de karmische gevolgen, zou leren en laten beproeven.
            En in de tijd dat de werking van de karmische vergelding verborgen was, naderde de verzoeking van het kwaad op zichtbare wijze tot de mensheid. Zo  ontstond de situatie van grote beproeving: het goede en het ware lijken tot louter menselijke "idealen" te zijn vervaagd, terwijl het kwaad met de donderstem van het natuurgeweld sprak. Wie echter in deze situatie het "ideaal" trouw bleef, d.w.z. door afstand te doen van elk extern "bewijs" van de macht van het goede, en in de onoverwinnelijkheid van waarheid en goedheid – wegens hun innerlijke waarde – te blijven geloven, die heeft daarmee ook de rechtvaardiging om de zesde bede, als zijnde de bede om de wederkerigheid van het vertrouwen tussen mens en God, uit te spreken. Want het niet uitgesproken rechtvaardigende deel van deze bede zou in de volgende woorden gedacht kunnen worden: "En leid ons niet in verzoeking, zoals wij  U niet verzoeken, doordat wij geen uiterlijke manifestatie van Uw kracht verwachten."
            Opnieuw vinden we in de verzoeking in de woestijn van Christus Jezus de sleutel tot een dieper begrip van deze bede: terwijl de verzoeker tot de Christus Jezus komt met de verzoeking om de werkelijkheid van het Goddelijke door een uiterlijk wonder (val van de tinne van de tempel) te bewijzen, wijst Christus Jezus de verzoeker terug met de woorden: "Er staat geschreven: 'Gij zult God, uw Heer, niet verzoeken'." En de rechtvaardiging voor de bede om verschoond te blijven van de verzoeking bestaat juist in dit afstand doen van de menselijke neiging om God te verzoeken, d.w.z. Hem niet als waarheid, maar als een de waarheid bewijzende en aantonende uiterlijke macht te willen zien.

Zoals de vierde, vijfde en zesde bede van het Onze Vader betrekking hebben op de drie verzoekingen in de woestijn, zo heeft de zevende bede betrekking op de grote beproeving die in de Gethsemane-nacht door de Christus Jezus werd doorstaan. Daarbij gaat het om het verzet van de objectieve werking van het oerkwaad tegenover de wereld, dat met het woord "euvel" (poneron) kan worden geïdentificeerd. Dit kwaad openbaart zich wat zijn wezen betreft in het geheel nog niet in het bewustzijn van de mens; het werkt slechts als verre kracht[2] door het ahrimanische wezen en manifesteert zich in zijn werking als een angstaanjagende, duistere kracht in het onderbewustzijn van het lichaam. In die zin is deze werking het volkomen tegendeel van het menselijke Ik. Want zoals het Ik het helderste punt in de lichamelijke organisatie van de mens veroorzaakt, zo veroorzaakt het euvel het punt van de grootste duisternis.
            Maar de mens die zich de moeite troost om het objectieve kwaad in de wereld al kennend te bestrijden, kan van het euvel worden verlost. De rechtvaardiging, d.w.z. de werkzaamheid van de bede: "maar verlos ons van het euvel" hangt af van de vraag of de mens het kwaad in de wereld tegenwerkt. Op die manier zou deze bede innerlijk op de volgende wijze aan te vullen zijn: "Maar verlos ons van het euvel, zoals wij tegen het kwaad van de wereld strijden."

Aldus is de geestelijk-morele opbouw van het Onze Vader zodanig, dat drie offers en vier manieren om de verzoeking te weerstaan, aan de zeven beden hun karmisch gewicht verlenen. De driehoek van de geest en het vierkant van de aardse persoonlijkheid die aan het Onze Vader ten grondslag liggen, zijn tegelijk uitdrukking van de offer- en weerstandsvaardigheid van de zevengelede mens. In overeenstemming met deze vaardigheden weegt de karmische weegschaal van het Nieuwe Verbond, waarvan de onderste schaal op de Aarde en de bovenste schaal in de handen van de Vader is.

* * *





[1] Bij de beide nu volgende delen wordt het werk van Rudolf Steiner "Das Vaterunser. Eine esoterische Betrachtung" (in "Das christliche Mysterium", GA 97) [vertaald als “Het Onze Vader” door Uitg. Pentagon] bij de lezer als bekend verondersteld. Andere werken die dit onderwerp in dezelfde richting behandelen zijn de auteur niet bekend.
[2] Meer hierover in de V. beschouwing van Deel 1, "Antroposofische beschouwingen over het Oude Testament"

woensdag 27 februari 2019

WIT MAGISCH CENTER AMSTERDAM - Vijfde lezing op 3 maart van de “Antroposofische beschouwingen over het Nieuwe Testament” van Valentin Tomberg in het kader van “Gods Rijk op Aarde realiseren – de antroposofische beweging als het Nieuwe Christendom”

Na de vierde lezing in de reeks  van 12 lezingen verleden zondagmiddag, 24 februari door Robert Jan Kelder, stichter van het Willehalm Instituut en initiator van de Willehalm Ridderorde van het Woord (i.o.), in de grote zaal van het Ita Wegmanhuis te Amsterdam (zie beeld) over de eerste drie zaligsprekingen van de Bergrede, gaat nu de vijfde op zondagmiddag 3 maart over de drie middelste zaligsprekingen onder de titel “Zielsmatige ontwikkelingswegen en geestelijke wegen van het lot in verband met de zaligsprekingen van de Bergrede”. Aan de hand van deze lezing met inleiding en commentaar en de volgende 7 afleveringen van deze reeks (zie het programma onderaan) zal onze hoofdstad dus als Wit Magisch Centrum Amsterdam worden herdoopt. De lezing zal begeleid worden door een deeltentoonstelling "De Deugden - Krachten van het Nieuwe Christendom" van de tekst van de Duitse filosoof/antroposoof Herbert Witzenmann (1905-1988) over de maandmeditatie van maart met de overeenkomstige verluchting van de Nederlandse kunstschilder Jan de Kok. 
I.
Ook dit vierde hoofdstuk bestaat uit drie delen en wel uit deel I: “Innerlijke transformaties van de zielendelen van de mens op het pad van de christelijke geestesscholing”; deel II: “De geestelijke wegen van het lot aan de hand van de laatste drie zaligsprekingen van de Bergrede” en deel III: “De kosmische betekenis van de zaligsprekingen van de Bergrede”.
Pas in dit laatste deel wordt het geheel duidelijk waarom het gerechtvaardigd is om deze vijfde lezing onder de titel “Wit Magisch Centrum Amsterdam” aan te kondigen. De betreffende tekst in dit deel deel luidt als volgt (de hele tekst is onderaan als bijlage voorhanden): 
“De negen zaligsprekingen werden tot nu toe beschouwd in hun betekenis voor het karma van de mensheid, maar nu rijst natuurlijk de vraag: wat betekenen ze voor het karma van de wereld? Want een dergelijke betekenis moeten ze hebben, de mensheid maakt immers een belangrijk deel uit in het wereldgebeuren, en anderzijds is de Christusimpuls niet iets wat alleen de geschiedenis van de mensheid aangaat maar ook haar karma. – Een antwoord op deze vraag kan worden gekregen, wanneer men de onmiddellijk op de negende zaligspreking volgende tekst van de Bergrede (zoals in het Evangelie van Mattheüs gegeven) beschouwt. Deze tekst, die een soort samenvattende epiloog van de zaligsprekingen is, culmineert in twee zinnen:
‘Gij zijt het zout der Aarde.’ (Matth. 5.13)
‘Gij zijt het licht der wereld.’ (Matth. 5.14)
Deze twee zinnen zeggen wat de mensen die de Christusimpuls hebben opgenomen voor de Aarde en voor de wereld te betekenen hebben.
Wat er met deze mensen zelf gebeurt – daarover geven de spreuken van de zaligsprekingen uitsluitsel; welke werking op het objectieve wereldgebeuren daardoor mogelijk gemaakt wordt – daarover spreken deze twee zinnen. En wel spreken ze over de werking van de vermenselijkte Christusimpuls in twee richtingen: in de richting van het doordringen van het lagere en in de richting van het oplichten naar boven. Want het "zout" is datgene wat de Aarde doordrongen heeft om haar haar morele "smaak" te verlenen; het "licht" echter is datgene wat van de Aarde in de kosmos oplicht en wat haar – vanuit de kosmos gezien – van een donker tot een lichtend hemellichaam verandert. In deze twee richtingen ligt de objectieve bestemming van de mensheid überhaupt: enerzijds de Aarde tegenover de hemel zichtbaar te maken, en anderzijds haar innerlijk met moraliteit te doordringen […]
Het ontsteken van het licht dat in de kosmos uitstraalt is echter slechts één kant van de objectieve betekenis van de spirituele stroming in de mensheid. De andere kant bestaat hieruit dat de Aarde zelf innerlijk getransformeerd worde, en wel in de zin dat haar – vanuit het morele standpunt beschouwd – neutrale gebeuren met moraliteit doordrongen worde. Want de natuurlijke processen van de Aarde zijn op zich goed noch kwaad; ze staan tussen de wereld van het goede en de wereld van het kwade – welke laatste vanuit het binnenste van de Aarde opwaarts werkt – zowel voor de invloeden van de ene wereld als voor die van de andere op gelijke wijze open. En de natuur zal zo lang twee heren dienen als de mens twee heren dient. Want het is de taak van de mens om het beslissende gewicht in de ene schaal te leggen en de natuur van het heen-en-weer schommelen te verlossen.
Dit wankelen wordt door de natuur als ziekte ervaren. De oorzaak van deze ziekte is juist deze neutrale plaatsing van de natuur in de strijd tussen de werelden. Haar toestand is werkelijk "een smaakloos geworden zout dat wordt vertrapt", – want ze is louter een object geworden in de strijd tussen goed en kwaad. En de mens die met zijn wil, voordat een zeker kritisch werelduur geslagen zal hebben, niet een keus heeft gemaakt, zal ook de eigenschap van medebepalend subject verliezen en tot louter object van de strijd worden, die dan door anderen zal worden gevoerd. Zulke mensen zullen in de toekomst een vierde natuurrijk scheppen, dat het onderwerp van de verlossende werking van de witte magie zal vormen, die dan door de witte mensheid zal worden uitgeoefend. Dit deel van de mensheid is het "zout dat zijn kracht heeft verloren" en daarom van een werkzame kracht tot een lijdend voorwerp zal worden.”
(Noot s.v.p. dat het begrip “wit” niet materialistisch maar natuurlijk spiritueel moet worden opgevat. Dit gehele deel III is hier als bijlage toegevoegd.
II.
Een verdere motivatie om onze hoofdstad na de heftige periode van de Provo’s met hun grijze rookmagiër Robert Jasper Grootveld nu als “Wit Magisch Center Amsterdam” aan de hand van het werk van Valentin Tomberg te herdopen ligt niet alleen in het feit besloten dat deze christelijke hermeticus en witte magiër tussen 1939 en 1944 zelf in Amsterdam (op de Berkelstraat) heeft gewoond en gewerkt, maar ook in datgene wat Harrie Salman in zijn bijdrage “Die Wirkung von Valentin Tombergs Tätigkeit und seinen Schriften in den Niederlanden” aan het boek “Valentin Tomberg / Leben – Werk – Wirkung” Band III (Novalis Verlag, 2016) verder over hem heeft geschreven (hier in mijn vertaling): “In de 30ste week van de “Onze Vader cursus” [gehouden in ‘t geheim in Amsterdam tijdens de oorlog] vergeleek Tomberg Holland en zijn rivierendelta met de Nijldelta in Egypte. Holland zou de opgave hebben om polariteiten te verbinden (bv. kennis en openbaring, vrijheid en autoriteit, traditie en vooruitgang). Amsterdam zou in dit beeld het nieuwe Alexandrië zijn. Hier diende de geestelijke traditie van Egypte zich verder te ontwikkelen. [Deze uitspraak wordt nog intrigerender door het feit dat Tombergs wijlen uitgever Willy Seiss van het Achamoth Verlag ervan overtuigd was dat Valentin Tomberg een reïncarnatie was van niemand minder dan Hermes Tresmegistos, de stichter van de oud-Egyptische beschaving, iets waarvan natuurlijk alleen zijn werk een bewijs en getuige kan zijn]. Valentin Tomberg was vijf jaar in Amsterdam actief [o.m. in het verzet om Engelse piloten terug naar Engeland te krijgen]. Zijn activiteit was nog niet expliciet met de vernieuwing van het Hermetisme verbonden.
De christelijke impuls van het Egyptische Hermetisme werd enkele jaren later duidelijk zichtbaar toen Joost Ritman, een lid van de gnostische School van het Gouden Rozenkruis (Lectorium Rosicrucianum, opgericht door Jan van Rijckenborg in Haarlem) in Amsterdam zijn filosofisch-hermetische bibliotheek stichtte […] Als nieuwe ‘Alexandrinische’ bibliotheek heeft die de geestelijke atmosfeer van Amsterdam veranderd, zoals dit ook door het geestelijk werk van Valentin Tomberg in de jaren 1939-1944 is gebeurd.”
(Salman heeft in dit overzicht over de werking van het werk van Valentin Tomberg na 1973 niet verzuimd mijn voorlezingen te noemen van mijn vertalingen van diens 12 “Antroposofische beschouwingen over het Oude Testament” die in het kader van "Het Nieuwe Christendom ter Herkerstening van de Lage landen" in de slotkapel van Oud-Zuylen in 2014 plaatsvonden, en die in 2015 voortgezet werden in de Willehalm bibliotheek te Amsterdam met de voorlezingen van de “Beschouwingen over het Nieuwe Testament en de Apocalyps van Johannes”.)

De overtuiging van Willy Seiss over de hoge, uitzonderlijk individualiteit van Valentin Tomberg kan men nalezen in zijn verweerschrift “Der Kampf gegen Valentin Tomberg und seine geisteswisseshaftlich erforschte Christsophie – Dokumentiert an Hand des Briefwechsel zwischen Valentin Tomberg und Marie Steiner“ Teil B Briefwechsel – Ein Beitrag zur Klärung der Zusammenhänge (Achamoth Verlag Schönach 1999 (De strijd tegen Valentin Tomberg en zijn geesteswetenschappelijk  onderzochte Christosophie – Gedocumenteerd aan de hand van de correspondentie tussen Valentin Tomberg en Marie Steiner – Deel B Correspondentie – Een bijdrage aan de opheldering van de samenhangen”.) Op p. B-13 schrijft hij: "Wie, dat  is de vraag, is deze Tomberg die met gewichtige uitspraken in de openbaarheid en voor de kerken, de Rooms-katholieke alsook de Oosterse Kerken treedt? Wat zou hem ertoe aanleiding geven om aan deze instituties de “dimensie der diepgang” – door opname van de door de Christusimpuls vernieuwde Hermetische traditie – toe te voegen?          

Nu was deze Hermetische bron er lang voor de tijd van de kerkelijke institutionaliseringen, dus lang voor de tijd van de geboorte van Christus, zoals ook de kerkelijke kringen bekend is dat haar sacramenten daarvan, van de oude mysteriën van Egypte, zijn overgenomen.  Ook de Christengemeenschap leeft van deze bron van Hermes Trismegistos die Tomberg in lang vervlogen tijden als leerling van Zarathoestra was. Zou Tombergs opgave daarin gelegen hebben om die diepe, oeroude traditie met het christendom of deze met het Hermetisme nieuw, tot levende traditie, te verbinden?”

Deze opvatting werd recentelijk (in 2017)  ook tot uitdrukking gebracht in de uitnodiging tot het bijwonen van een op 1 juli dat jaar in Soesterberg plaatsgevonden en door het Achamoth Verlag in Zuid-Duitsland georganiseerde bijeenkomst onder de titel “Het hermetische werk van Valentin Tomberg in samenhang met de geesteswetenschap van Rudolf Steiner”  en een boekpresentatie van  deel 1 van de Meditaties op de Grote Arcana van de Taro van Valentin Tomberg in de vertaling van Maria Schokking-Dufour door de Uitgeverij Nearchus. 

Daarin schrijft het Achamoth-team het volgende:  “Zeer vereerde vrienden en geïnteresseerden in het antroposofische en hermetische werk van Rudolf Steiner en Valentin Tomberg,  Zoals U weet, is het levenswerk van Rudolf Steiner, de antroposofie, een ‘weder-opstanding van de Egyptische Mysteriën’, zoals Rudolf Steiner herhaaldelijk zelf heeft gezegd.  Wie was nu de grondlegger van deze Egyptische mysteriën? Dat was Hermes, die het astraallichaam van de grote Zarathustra erfde en sindsdien dit astraallichaam draagt, of anders gezegd, in bewaring heeft gekregen. Deze individualiteit was bijna iedere eeuw geïncarneerd, want hij is de toekomstige Bodhisattva Maitreya, die eens ‘het Goede’ zal brengen. - Deze individualiteit leefde ook in Valentin Tomberg van wie bekend is, toen men bij hem aandrong de vraag te beantwoorden of HIJ de Bodhisattva was: ‘Vraagt U mij liever wie ik was in de Egyptische tijd!’ Toen de vragensteller tot driemaal toe vasthield aan de vraag naar de identiteit van de Bodhisattva, zei Tomberg in alle rust: ‘Hermes, ik was Hermes ten tijde van de Egyptische cultuurperiode.’ Immers, niemand zal direct van zichzelf zeggen dat HIJ de Bodhisattva is.”


Nu behoeven deze programmatische verwijzingen naar de identificatie van Hermes Tresmegistos met Valentin Tomberg en diens relatie met de Maitreya Boeddha natuurlijk een gedegen geesteswetenschappelijk onderbouwing die hier niet gegeven kan worden en blijft deze door velen betwijfelde dan wel fel bestreden identificatie dus niet meer dan een gewaagde stelling. Maar met de aangegeven literatuur en de nu voorhanden drie werken in druk van Valentin Tomberg  tezamen met diens door mij tussen 2014 en 2016 vertaald en op internet geplaatste Antroposofische beschouwingen over het Oude Testament, het Nieuwe Testament en de Apocalyps van Johannes als een bijdrage aan het door Rudolf Seiner vanuit de geestelijke wereld op aarde gebrachte Nieuwe Christendom plus Valentin Tombergs in het Nederlands reeds ter beschikking zijnde twee delen over de Grote Arcana van de Taro zou men een begin met een dergelijke onderbouwing kunnen maken door te vervolgen hoe in al deze werken (en overigens ook in al zijn zgn. post-antroposofische werken)  het voorchristelijke hermetische credo van “wat is boven, is als wat is beneden” nu  op een esoterisch-christelijke wijze zijn weerslag vindt
De welwillende lezer wordt vriendelijke uitgenodigd deze herdoop van onze hoofdstad tot "Wit Magisch Centrum" bij te wonen, waarin ook aandacht zal worden besteed aan de verschillende sociale kunstactiviteiten die door het door mij in 2005 opgerichte Willehalm Instituut voor Antroposofie als Graalonderzoek, Koninklijke Kunst en Sociaalorganica en in naam van de Willehalm Ridderorde van het Woord (i.o.) in Amsterdam en daarbuiten zijn van ondernomen. Toegang is gratis, wel is een vrije bijdrage van circa € 10,00 gewenst. Voor koffie en tee wordt gezorgd.


Programma van de volgende lezingen:

VI. Zondag 10 maart:     Het Onze Vader als weg tot de lotsverbinding met God de Vader
VII. Zondag 17 maart:  De tekenen en wonderen van Christus Jezus naar het Evangelie van Johannes
VIII. Zondag 24 maart: De genezing van de blindgeborene en de opwekking van Lazarus
IX. Zondag 31 maart: De Lijdensweg
X. Zondag 7 april: De hogere treden  van de Lijdensweg
XI. Zondag 26 mei: Het Mysterie van Golgotha
XII. Zondag 2 juni: De Pinkstergebeurtenis

Bijlage:
3. De kosmische betekenis van 
de zaligsprekingen van de Bergrede

De negen zaligsprekingen werden tot nu toe beschouwd in hun betekenis voor het karma van de mensheid, maar nu rijst natuurlijk de vraag: wat betekenen ze voor het karma van de wereld? Want een dergelijke betekenis moeten ze hebben, de mensheid maakt immers een belangrijk deel uit in het wereldgebeuren, en anderzijds is de Christusimpuls niet iets wat alleen de geschiedenis van de mensheid aangaat maar ook haar karma. – Een antwoord op deze vraag kan worden gekregen, wanneer men de onmiddellijk op de negende zaligspreking volgende tekst van de Bergrede (zoals in het Evangelie van Mattheüs gegeven) beschouwt. Deze tekst, die een soort samenvattende epiloog van de zaligsprekingen is, culmineert in twee zinnen:

"Gij zijt het zout der Aarde." (Matth. 5:13)
"Gij zijt het licht der wereld." (Matth. 5:14)

Deze twee zinnen zeggen wat de mensen die de Christusimpuls hebben opgenomen voor de Aarde en voor de wereld te betekenen hebben.
            Wat er met deze mensen zelf gebeurt – daarover geven de spreuken van de zaligsprekingen uitsluitsel; welke werking op het objectieve wereldgebeuren daardoor mogelijk gemaakt wordt – daarover spreken deze twee zinnen. En wel spreken ze over de werking van de vermenselijkte Christusimpuls in twee richtingen: in de richting van het doordringen van het lagere en in de richting van het oplichten naar boven. Want het "zout" is datgene wat de Aarde doordrongen heeft om haar haar morele "smaak" te verlenen; het "licht" echter is datgene wat van de Aarde in de kosmos oplicht en wat haar – vanuit de kosmos gezien – van een donker tot een lichtend hemellichaam verandert. In deze twee richtingen ligt de objectieve bestemming van de mensheid überhaupt: enerzijds de Aarde tegenover de hemel zichtbaar te maken, en anderzijds haar innerlijk met moraliteit te doordringen.

Het eerste deel van deze taak zal men komen te begrijpen, wanneer men bedenkt dat de Aarde, gezien vanuit de geestelijke wereld, een donkere vlek in de ruimte is. Deze fonkelt alleen op die plaatsen waar mensen gedachten en gevoelens van onzelfzuchtige aard koesteren die van de zwaarte van de Aarde bevrijd en op de geest gericht zijn. Dergelijke op de geest gerichte gedachten en gevoelens scheppen de moreel-geestelijke "verlichting", waarin aardse aangelegenheden vanuit het perspectief van de geestelijke wereld gezien kunnen worden. Dit laatste is een moeilijk kennisproces voor de wezens van de geestelijke wereld. Het is voor hen net zo moeilijk als het voor Aardemensen is om kennis van de geestelijke wereld te verschaffen. En als er geen belangeloze spiritualiteit op Aarde zou bestaan, zou een tegenwoordige kennis van beide werelden door een afgrond onmogelijk zijn gemaakt.
            Deze afgrond, welke de op Aarde beoefende belangeloze spiritualiteit steeds weer overbrugt, creëert Lucifer. De "wolkenlaag" van de Luciferische sfeer waarmee de Aarde bedekt wordt, creëert de donkere schaduw die door de Aarde in de kosmos geworpen wordt. En door deze Luciferische wolkenlaag heen kunnen alleen die spirituele gedachten en gevoelens zich een weg banen, die om altruïstische redenen gekoesterd worden. De wel spirituele, maar op baatzuchtige wijze gekoesterde  gedachten kunnen alleen de Luciferische laag bereiken en worden daar tegengehouden. Wanneer men het zeer grote aantal mensen beschouwt dat religie, mystiek en verschillende soorten van occultisme beoefent, dan zou de Aarde eigenlijk op bijna alle punten fel moeten oplichten. Dat dit niet zo is, komt door het feit dat dit niet op een onzelfzuchtige manier gebeurt.
            In de uitspraak van de Bergrede, die inderdaad tot de intieme discipelen van Christus Jezus gericht was: "Gij zijt het licht der wereld" gaat het echter om het lichten dat van de Aarde uitgaand in de kosmos naar buiten heeft te stralen doordat het de Luciferische laag overwint. Om een belangeloze spiritualiteit gaat het in deze spreuk. Het op onbaatzuchtige wijze beoefenen van spiritualiteit is echter alleen mogelijk, indien dat niet uit persoonlijk belang of wegens bijzondere belangen van een groep gebeurt, maar in het belang van de mensheid. Dit wordt door de woorden van Christus Jezus uitgedrukt: "Men moet zijn licht niet onder een korenmaat zetten, maar op de standaard, en het schijnt voor allen in het huis."
            Omdat het in de zin van de Christusimpuls gecultiveerde geestesleven geen speciale doeleinden kan dienen, is het altijd een gemeenschapsaangelegenheid. Het brengt mensen samen en verenigt hen op organische wijze. Maar deze gemeenschap mag zich geen "doelen" en "taken" stellen die het algemeen menselijke doen en streven beheersen. Het dient een niveau te verkrijgen dat, gerelateerd aan het niveau van de algemene gewoontes, zich als een berg ten opzichte van een dal verhoudt. De door de Christusimpuls gevormde spirituele gemeenschap moet als een "stad op de berg" zijn. En juist dit verschil moet het zijn wat haar in de wereld zichtbaar zal maken. Haar  bestaansrecht heeft daaruit te bestaan, dat ze enerzijds er voor iedereen is, maar dat ze zich boven het niveau van de normale praktijken van macht, strijd en rivaliteit verheft. Het enkele feit dat ze zich, door het ontbreken van de uitgangspunten van macht, strijd en rivaliteit van het algemeen gangbare onderscheidt, maakt haar net zo duidelijk waarneembaar als een op een berg gelegen stad waarneembaar is.
            In het beeld van de op een berg liggende stad, die "niet verborgen kan blijven" juist omdat ze op de berg ligt, is de oplossing van de kwestie van "het exoterische en het esoterische" van een geestelijke gemeenschap gegeven. Wat een gemeenschap tot een esoterische maakt, is het feit van haar niveau – dat niveau mag niet verraden worden, want het is de bestaansrechtvaardiging van een dergelijke gemeenschap. En dit niveau is tegelijk datgene waardoor een dergelijke gemeenschap tot een exoterisch vruchtbare wordt. Want als bv. de altruïstisch gecultiveerde geestelijke gemeenschap als geestelijke kennis, d.w.z. als zuivere geesteswetenschap in de wereld staat, zonder tot andere in de wereld gangbare methoden van "bewijsvoering", "wetenschappelijke verantwoording" en dergelijke haar toevlucht te nemen, dan zal ze als richtinggevende en inspirerende verschijning haar volledige rechtvaardiging verkrijgen – ja, des te vruchtbaarder zal zij zich op andere levens- en onderzoeksgebieden bewijzen, indien zij, onbeïnvloed door deze gebieden, zichzelf trouw blijft. Wordt zij daarentegen omwille van zichzelf, d.w.z. niet door liefde tot het licht bedreven, maar om op wetenschappelijke, sociale, esthetische enz. gebieden een voorsprong op andere mensen te halen, dan is haar bedrijfsvoering niet meer belangeloos, en de op deze manier werkende mensengroepen scheppen geen licht wat de Aarde tegenover de geestelijke wereld zichtbaar maakt.

Het ontsteken van het licht dat in de kosmos uitstraalt is echter slechts één kant van de objectieve betekenis van de spirituele stroming in de mensheid. De andere kant bestaat hieruit dat de Aarde zelf innerlijk getransformeerd worde, en wel in de zin dat haar – vanuit het morele standpunt beschouwd – neutrale gebeuren met moraliteit doordrongen worde. Want de natuurlijke processen van de Aarde zijn op zich goed noch kwaad; ze staan tussen de wereld van het goede en de wereld van het kwade – welke laatste vanuit het binnenste van de Aarde opwaarts werkt – zowel voor de invloeden van de ene wereld als voor die van de andere op gelijke wijze open. En de natuur zal zo lang twee meesters dienen als de mens twee meesters dient. Want het is de taak van de mens om het beslissende gewicht in de ene schaal te leggen en de natuur van het heen-en-weer schommelen te verlossen.
            Dit wankelen wordt door de natuur[1] als ziekte ervaren. De oorzaak van deze ziekte is juist deze neutrale plaatsing van de natuur in de strijd tussen de werelden. Haar toestand is werkelijk "een smaakloos geworden zout dat wordt vertrapt", – want ze is louter een object geworden in de strijd tussen goed en kwaad. En de mens die met zijn wil, voordat een zeker kritisch werelduur geslagen zal hebben, niet een keus heeft gemaakt, zal ook de eigenschap van medebepalend subject verliezen en tot louter object van de strijd worden, die dan door anderen zal worden gevoerd. Zulke mensen zullen in de toekomst een vierde natuurrijk scheppen, dat het onderwerp van de verlossende werking van de witte magie zal vormen, die dan door de witte mensheid zal worden uitgeoefend. Dit deel van de mensheid is het "zout dat zijn kracht heeft verloren" en daarom van een werkzame kracht tot een lijdend voorwerp zal worden.
            De werking echter, die met de op "zout" betrekking hebbende verzen van het Evangelie volgens Mattheüs wordt bedoeld, is het doen binnenstromen van de morele wilskrachten van de mens in het aardse gebeuren. Want zoals het uiterlijke gebeuren zich (bv. via de voeding) in het menselijke organisme uitstrekt, zo strekt ook het innerlijke menselijk handelen zich uit naar wat er in de buitenwereld gebeurt – en wel door daden. En zoals het zich uitstrekken van de buitenwereld in de mens opbouwend of destructief kan zijn, afhankelijk van de vraag of het bv. om brood of vergif gaat, zo kan datgene wat uit de mens in de buitenwereld overgaat, eveneens destructief of opbouwend fungeren.
            Nu is in het menselijke organisme het eigenlijk opbouwende het bloed, hetwelk het orgaan van het Ik is. De aardse buitenwereld is niet in staat om aan de mens direct bloed te geven – ze kan alleen de bouwstoffen leveren, waarvan het bloed voor opbouwdoeleinden gebruik kan maken. Toch is er een stof in de buitenwereld die enkele functies van het bloed binnen het menselijk organisme in zekere mate kan vervullen. Deze stof is het zout. De in de bloedcirculatie rechtstreeks ingevoerde zoutoplossing kan tot op zekere hoogte de verstoringen in het organisme, die door bloedgebrek worden veroorzaakt, verhelpen.
            Zoals de natuur niet in staat is om de mens bloed te geven, zo kan anderzijds evenmin de mens niet het Ik-bewustzijn, dat de menselijk-geestelijke tegenhanger van het bloed is, aan de natuur geven. De natuur heeft echter het Ik-bewustzijn nodig om de vaardigheid te verkrijgen tussen goed en kwaad te kunnen beslissen, om daardoor van haar ziekte te worden genezen. – Nu kan echter de mens toch de natuur iets geven, wat in zijn uitwerking evenzo het Ik-bewustzijn benadert als het zout in zijn werking binnen het menselijke organisme het bloed benadert. Het is de innerlijk vanuit het menselijke Ik met moraliteit doordrongen levensether.
            Eigenlijk gaat het daarbij al niet meer om de levensether in termen van de natuurmatige werking, maar om het ontstaan van een nieuwe, vijfde ethersoort in de mens – door de transformatie van de levensether. Rudolf Steiner voorzag deze nieuwe, uit de mens ontstaande ethersoort van de aanduiding "morele ether", een begrip dat de aard van de betekenis ten nauwste weerspiegelt. Deze "morele ether", die door de doordringing van de menselijke wil, van de menselijke daden met de Christusimpuls ontstaat, is het “zout der Aarde”, d.w.z. datgene wat de moraliteit in de natuur, op een voor de natuur werkzame manier, doet binnenstromen.
            De "morele ether" heeft de bestemming evenzo het orgaan van de opbouwende werking van het goede in de natuur te zijn, als het zout in het menselijke organisme voor de normaal door de bloedswerking opgebouwde Ik-werkzaamheid als orgaan kan dienen. Door daden die de moreel ontwaakte wil tot uitdrukking brengen, zullen mensen met bliksemschichten van morele ether het natuurgebeuren doordringen. En de natuurwezens zullen zich naar deze stromingen van morele ether richten; deze stromingen zullen het geweten van de natuur vertegenwoordigen. Dan zal de natuur uit vrije genegenheid de mensen volgen – niet als geknechte slavin, maar zoals de ziel van Kundry, die degene die het vertrouwen waardig zijn nu haar vertrouwen zou mogen toewenden. Want dan zal Kundry van de vloek van de dubbele dienst – tegelijkertijd aan Klingsor en aan de Graalridders – bevrijd worden en zich alleen aan de dienst van de Heilige Graal mogen wijden.

De werking van de morele ether, als van het geweten van de natuur, is het geheim van het witte mechanisch occultisme van de toekomst. Dan zullen niet de mechanismen de natuurkrachten beheersen, maar dan zullen de natuurkrachten, de morele ether van de mens volgend, de mechanismen in beweging zetten. En het zal de wil van de mens zijn die de morele ether zal doen uitstromen, de wil waarin de Christusimpuls zo sterk leeft, dat die haar tot de verwerkelijking van de woorden van Christus Jezus geleid heeft: "Niemand komt tot de Vader dan door Mij". Er zullen Vaderkrachten aan het werk zijn, wanneer de mens zijn wil tot het doen uitstromen van deze morele ether met de Christusimpuls zal hebben doordrongen, net zoals de profeten van het Oude Testament werkten en vervolgd werden (Matth. 5:12).

Zoals de spreuk: "Gij zijt het licht der wereld" betrekking heeft op de overwinning op Lucifer in de objectieve buitenwereld, zo heeft de spreuk: "Gij zijt het zout der Aarde" betrekking op de strijd tegen Ahriman in de objectieve buitenwereld. Want zoals Lucifer de wezenheid is die het licht van de Aarde niet in de geestelijke wereld laat uitstromen, zo is Ahriman degene die de duisternis op de Aarde veroorzaakt.
            De geestelijk-morele duisternis wordt door Ahriman ook in de natuur gebracht. Deze verduistering is echter alleen vanuit geestelijk oogpunt een zodanige; vanuit het aardse oogpunt is het een speciaal lichtsoort. Deze bijzondere lichtsoort komt bv. in de elektriciteit tot uitdrukking. In het algemeen is het belangrijkste wapen van Ahriman in de natuur de aardse elektriciteit, waartoe zelfs nog fijnere vormen behoren dan die waar de mensheid vandaag de dag mee bekend is.[2] In de strijd tegen Ahriman om de natuur is het belangrijkste wapen van de wezenheid van de geestelijke wereld de hemelse elektriciteit. De hemelse bliksemschichten vernietigen en chaotiseren vaak datgene wat vanuit de onderaardse lagen tegen het aardoppervlak – de natuur en de mensheid bedreigend – werd voorbereid. Sommige voorbereidingen van het kwaad worden door de slagen van de hemelse elektriciteit vernietigd – de natuur beleeft dit echter slechts als een strijd tussen twee machten, die met wisselend succes verloopt. Noch de aardse elektrische effecten van Ahriman noch de bliksemschichten van de hemelse elektriciteit van Michaël zijn op zich overtuigend voor de natuur. Door vrees om vrees gedreven, hunkert ze om verlossing en bewijst nu eens diensten aan de ene, dan weer aan de andere kant. Alleen de morele ether, die zich door de mens zal openbaren, zal ze niet als macht, maar als roepende leiding en hulp ondervinden.
            Een soortgelijke ervaring bestond reeds in het verleden: een zekere mate van openbaring van de natuurmatig werkende moraliteit kon na het Pinkstergebeuren door de discipelen van Christus Jezus geschieden. Enkele wonderen, waarvan de Handelingen en de traditie gewagen, zijn eenvoudig te verklaren door het feit dat de apostelen een bepaald tijd lang in een andere relatie tot de natuur stonden dan ook destijds normaal mogelijk was. Men hoeft slechts vanuit het oogpunt van de verhouding van de natuur tot de apostelen, bv. de Handelingen van de Apostelen (Praxeis Apostolon) te lezen, en men zal het hier gezegde bevestigd vinden. Ja, men zal vinden dat de schrijver van Handelingen een bijzondere nadruk erop heeft gelegd om het de lezer duidelijk maken dat de apostelen een nieuw soort magie bezaten die steeds zegevierde, wanneer ze in conflict met de oude magie raakte. De schrijver van Handelingen lijkt het zich tot zijn bijzondere taak te hebben gemaakt de lezer ervan te overtuigen dat het morele bepalend op het natuurgebeuren kan inwerken. Het zijn geen toverspreuken, amuletten, talismannen, enz. die daar werkzaam zijn, maar de naam van Christus Jezus en het innerlijk doordrongen zijn van de apostelen met de Christusimpuls (d.w.z. met het geloof).

Bij de twee spreuken – over het licht der wereld en het zout der Aarde – gaat het dus om de objectieve betekenis voor de wereld van datgene wat in de negen zaligsprekingen als menselijke aangelegenheid werd beschreven. Daarin schuilt deze betekenis dat door het opnemen van de Christusimpuls de door Lucifer bewerkte vervreemding van hemel en Aarde overwonnen kan worden en dat de door Ahriman geknechte natuur geleidelijk aan dichter bij haar bevrijding kan worden gebracht.
            Met name dat laatste is een taak die pas in een verre toekomst zal kunnen worden vervuld. Want het "zout", dat zich vanaf het zesde, Filadelfische cultuurtijdperk steeds duidelijker in zijn werking zal bewijzen, zal pas tijdens de toekomstige Jupiterbelichaming van de Aarde tot een net zo sterk de natuurlijke processen besturende factor worden als bv. de zwaartekracht dat nu is. Want vanaf het midden van de Jupiterontwikkeling zal de zwaartekracht als zodanig haar betekenis in de natuur  verliezen. Dan zullen de natuurwezens niet langer door de zwaartekracht aan de schouwplaats van het Jupitergebeuren gebonden zijn, maar de kracht die hen van het wegdrijven van deze locatie tegen zal houden zal van morele aard zijn. De natuurwezens zullen de morele ether volgen als zij de planeet Jupiter trouw blijven. De morele kracht van het vertrouwen zal hen ervan weerhouden weg te zweven, niet meer echter de werking van de zwaartekracht die op Jupiter op zal houden te bestaan.

Door de afsluiting van de beschouwing van de negen zaligsprekingen werd een stap gezet in de richting van de kennis omtrent de werking van Christus Jezus door het woord. Nu betekenen echter de negen zaligsprekingen de weg van de mens tot de Zoon. Een verdere stap zou de beschouwing van de weg betekenen die door de Zoon naar de Vader leidt. Deze verdere stap wordt door Christus Jezus in de Bergrede gezet, doordat de zeven beden van het Onze Vader werden gegeven. De zeven beden van het Onze Vader vertegenwoordigen de verhouding waarin de mens tot de Vader-God kan komen te staan, wanneer hij – in de zin van de negen zaligsprekingen – zich met de Zoon heeft verbonden. Men begrijpt de verhouding van de zaligsprekingen tot het Onze Vader in zijn diepere betekenis, wanneer men de woorden van Christus Jezus: "Niemand komt tot de Vader dan door Mij" als sleutel gebruikt. Want deze woorden leveren de innerlijke draad die van de zaligsprekingen naar het Onze Vader loopt.
            Het Onze Vader is dus – in een diepere zin – een voortzetting van wat door de zaligsprekingen geopenbaard wordt. Om deze reden zal de volgende beschouwing de zeven beden van het Onze Vader tot onderwerp hebben.

* * *





[1] Het begrip "natuur" wordt hier niet in Goetheanistische zin gebruikt. Terwijl Goethe, als hij over de natuur sprak, daarbij voornamelijk de werkzaamheid van de Elohim, Dynameis en Kyriotètes door de derde hiërarchie bedoelde, wordt hier het lots- en bestaansgebied van de drie natuurrijken en de achter hen werkende scharen van elementaire wezens  – van Ahrimanische, Luciferische, neutrale en aan de Goden gewijde aard – bedoeld.
[2] Dit is een profetische uitspraak die waarschijnlijk nog niet eens in dit digitale tijdperk ten einde is gekomen.