Posts tonen met het label Gods Rijk op Aarde. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Gods Rijk op Aarde. Alle posts tonen

donderdag 30 mei 2019

Hemelvaartsdag als de dood van de ziel - Tweede aankondiging van de voorlezing op 2 juni over de Pinkstergebeurtenis


Een geëigende herinnering aan wat er op deze feestdag zo’n twee duizend jaar geleden in Palestina is geschied, valt onderaan te lezen in deel 1”Het orgaan van de Pinksteropenbaring” van het 12de hoofdstuk “De Pinkstergebeurtenis” uit het in afwachting op de boekpublicatie online volledig beschikbaar werk "Antroposofische beschouwingen over het Nieuwe Testamentvan Valentin Tomberg dat gericht is aan lezers die zich een basiskennis van de antroposofie hebben verschaft, inclusief van de vele voordrachten van Rudolf Steiner over de evangeliën. Samen met de andere drie delen zal dit 12de hoofdstuk in het kader van “Gods Rijk op Aarde realiseren – De antroposofische beweging als het Nieuwe Christendom” op zondagmiddag 2 juni van 14:30 -18:00 uur in de bibliotheek van het Willehalm Instituut, 386A, Amsterdam 1017 JB  door de vertaler Robert Jan Kelder met een inleiding en commentaar ten gehore worden gebracht (zie de vorige bijdrage hier voor de eerste uitvoerige aankondiging). 



Het orgaan van de Pinksteropenbaring

In de voorafgaande beschouwing werd getracht het geestelijk feit tot uitdrukking te brengen dat er naast de schriftelijke evangelieberichten een "ongeschreven evangelie" bestaat, het levenstableau van Christus Jezus, dat als het ware in de etherische aura van de Aarde is blijven staan. Dit niet vernietigbaar en onuitwisbaar evangelie is – en zal in de toekomst steeds meer zo zijn – de bron van die kennis over het negentien eeuwen geleden plaatsgevonden Christusgebeuren, hetwelk op de weg van het imaginatief schouwen, de geïnspireerde kennis en de intuïtieve ervaring verkregen kan worden.
            Maar dit "ongeschreven evangelie" heeft niet alleen betekenis voor het heden en voor de toekomst – ook in het verleden heeft het een enorme betekenis gehad, en wel reeds vrijwel direct na de gebeurtenissen van het mysterie van Golgotha. Want in de veertig dagen tussen het mysterie van Golgotha en de Hemelvaart vond in essentie het beleven van de beelden van het levenstableau van Christus Jezus door de discipelen plaats. De "instructie van de Herrezene", het onderwijs dat de discipelen op dat moment door de Herrezene kreeg, bestond er met name uit dat beelden voor hun ziel ontstonden, waarvan ieder een beeld dat op de tijd van leven en werken van Christus Jezus vóór het mysterie van Golgotha betrekking had, wakker riep en zich als het ware met het wakker geroepen beeld uit het verleden verenigde. Er traden dus voor de zielen van de discipelen de beelden steeds paarsgewijs op: een beeld als een openbaring van de Herrezene en een beeld van Zijn leven en werken vóór het mysterie van Golgotha. En het was steeds zo dat het eerste beeld als het ware als de hogere betekenis en vervulling van het tweede beeld beleefd werd. Aldus leidde de Herrezene de zielen van de discipelen door de scènes van Zijn levenstableau, maar zodanig dat iedere scène tegelijkertijd als imaginatieve uitdrukking van een hogere geestelijke waarheid beleefd werd. Het was inderdaad onderwijs – en datgene waarin onderwezen werd was de inhoud van het "Ongeschreven evangelie".
            Toen geschiedde het dat het door middel van de imaginatie gegeven onderwijs ophield. De beelden verdwenen uit de beleving van de discipelen en ook de gestalte van de Herrezene zelf verdween. Dit gebeurde op Hemelvaartsdag. Sinds die dag begon er voor de discipelen een pijnlijke tijd. Want ze beleefden zichzelf als leeg en verlaten. De wereld van de betekenisvolle beelden was weggevaagd; in duisternis en stilte werden nu de zielen ondergedompeld. De pijn die de discipelen op dit moment ondergingen is nauwelijks te vergelijken met enige soort pijn die in het gewone leven kan worden beleefd. Want hij werd niet veroorzaakt door de aanwezigheid van iets wat bedroevend of pijnlijk was, maar door de afwezigheid van alles wat aan de ziel leven en inhoud gaf. In deze toestand van de ziel is ieder "positief" lijden slechts een opluchting: de scherpe pijn is inderdaad ook een ervaring en behoort daarom tot het leven, terwijl de pijn van het leeg-zijn geen ervaring, maar een toestand is waarin de ziel zichzelf als niets beseft.
            De ervaring door de discipelen van de dood van de ziel was het die aan Pinksteren vooraf ging. En deze ervaring was de noodzakelijke voorbereiding voor dat gebeuren. Want het ging bij dat gebeuren om de ervaring van de opstanding van de ziel – een ervaring die alleen maar op die van de dood van de ziel kon volgen.
            Maar nu werd die pijnlijke voorbereiding op de Pinkstergebeurtenis door een zekere omstandigheid verlicht, namelijk door het feit dat de pijn van die voorbereiding voor de kring van discipelen een gemeenschappelijke, en bijgevolg een gedeelde was. De eenzaamheid die door de discipelen werd beleefd was een geestelijke – maar menselijk gesproken betekende die juist een band die de kring van discipelen ten diepste samenbond. Want gemeenschappelijke pijn is de meest krachtige manier om mensen onderling te verbinden – en de pijn die door de discipelen werd ervaren bewees zich als die band welke nodig was om de groep discipelen tot het orgaan van de Pinksteropenbaring samen te binden.
            Want een speciale soort onderlinge verbinding tot een eenheid van de groep discipelen was nodig voor het tot stand komen van de Pinksteropenbaring. En wel diende deze verbinding zodanig te zijn dat ze niet alleen op een gemeenschappelijke gezindheid, maar vooral op een gemeenschappelijkheid tot in de diepste gronden van het gevoelsleven diende te berusten. Daartoe dienden de gevoelslichamen van de discipelen zodanig met elkaar verbonden te worden als de twaalf stromen van het bovenzinnelijk hart van het menselijk lichaam met elkaar verbonden zijn. Het ging er als het ware om de groep discipelen tot een orgaan te vormen die met de innerlijke structuur van het bovenzinnelijk hartorgaan overeenkomt. Want de ervaring van de opstanding van de ziel diende in het hart te worden beleefd – maar ze diende door één hart te worden beleefd dat de mensheid zou kunnen vertegenwoordigen.
            En er moest zo’n hart worden aangekweekt – een hart van de mensheid, bestaande uit een groep mensen die hun gevoelslichamen door het ondervinden van de gemeenschappelijk doorstane pijn net zo met elkaar verbonden hadden als de blaadjes van een bloem met elkaar verbonden zijn. Zodoende stelde de gemeenschap van discipelen ten tijde van de Pinkstergebeurtenissen een "twaalfbladige bloem" voor, waarbij de individuele "bladeren" van die "bloem" zich rond een middelpunt gerangschikt hadden. Dit middelpunt werd door een gestalte weergegeven welke als de dertiende in het midden van de kring van discipelen de centrale plaats innam. In de kerkelijke traditie werd ze als Maria, de moeder van Jezus,  aangeduid en gepresenteerd – in de gnostische esoterische traditie duidde men haar aan als de "Jonkvrouw Sophia".
            Maria-Sophia was het "hart van het hart", d.w.z. zij vormde het middelpunt van de kring van Twaalf dat in het uur van Pinksteren als het ware het "hart van de mensheid" was.
            Van de centrale betekenis van Maria-Sophia in de kring van de Twaalf bij het tot stand komen van de Pinksteropenbaring was men steeds op de hoogte – zowel in de eerste eeuwen na Christus als in de late middeleeuwen. Deze wetenschap vond ook in de kunst zijn uitdrukking. Zo stelt een miniatuur van de Syrische Codex (586 na de geboorte van Christus), die bewaard wordt in de Bibliotheca Laurenziana in Florence, de Pinkstergebeurtenis als volgt voor: Maria die in het midden van de Twaalf staat, de Heilige Geest die in de vorm van een duif boven haar hoofd zweeft en de stroom van de openbaring direct over haar heen giet, terwijl bij de Twaalf als gevolg daarvan vuurtongen boven de hoofden oplaaien. Maria-Sophia wordt getoond in een lichtpaars overgewaad (maphorion) op een blauwe rok (chiton). De gezamenlijke groep van gestalten is omgeven door motieven van bloeiende bloemen en van boven bedekt door een omvattende, omgekeerde schaal.[1]
            Dit beeld van de kring van Twaalf met Maria-Sophia in het hart leidt ons tot een vraag zonder welks beantwoording de Pinkstergebeurtenis niet begrepen kan worden, namelijk de vraag naar het wezen van Maria-Sophia en haar deelname aan het tot stand komen van de Pinksteropenbaring.





[1]Carucci, p.140; Kondakoff »Ikonografya Bogomateri«, Vol. l, p. 187.




maandag 18 maart 2019

Rembrandt als de blindgeborene uit het Nieuwe Testament? - Achtste lezing uit de reeks "Gods Rijk op Aarde realiseren” op 24 maart in het Ita Wegmanhuis





 Op zondagmiddag 24 maart  zal in het Ita Wegmanhuis het achtste hoofdstuk "De genezing van de blindgeborene  en de opwekking van Lazarus" uit het werk “Antroposofische beschouwingen over het Nieuwe Testament”  van Valentin Tomberg in het kader van “Gods Rijk op Aarde  realiseren – de antroposofische beweging als het Nieuwe Christendom” door de vertaler Robert Jan Kelder met een inleiding en commentaar ten gehore worden gebracht .

In de hervertaling van dit magistraal werk van Valentin Tomberg, dat Evert Jan de Groot digitaal ter beschikking stelde,  is er in dit achtste hoofdstuk een interessante voetnoot over de karmische achtergrond van de individualiteit van deze  door Christus Jezus genezen blindgeborene,  die De Groot schreef op de website van Munin Nederlander aangetroffen te hebben,  en die  luidt:

“Rudolf Steiner heeft over de schilder Rembrandt opmerkelijke dingen meegedeeld:
a) Rembrandt leefde ooit in Atlantis.

b) Hij reïncarneerde een paar decennia voor onze jaartelling als een Ierse prins. Helderziend schouwde hij Jezus’ geboorte, en toog als (enige) wijze uit het westen naar Palestina om de Heiland hulde te brengen. Maar hij werd onderweg gedood.

c) Door verlangen gedreven om de Heiland toch in levende lijve te ontmoeten, reïncarneerde Rembrandt terstond in Palestina. Maar als een blindgeborene! Aan zijn blindheid lag geen karmische fout ten grondslag. Hij ontbeerde het gezichtsvermogen om dat in een later leven versterkt te bezitten. Om de mensheid in dat leven als uitbeelder van de natuur, als schilder, iets bijzonders te tonen. Maar…, als blinde kon hij tot zijn teleurstelling Jezus Christus niet fysiek waarnemen, terwijl hij toch juist dáárvoor in Palestina was geïncarneerd!
d) Jezus geneest hem. En het eerste wat de geheelde dan met de extra nadruk van de overgang van blind zijn naar kunnen zien, waarneemt is de door hem gezochte Jezus! Een verpletterende ervaring, mede door Jezus’ verkondiging dat door hem, Rembrandt, Gods werken openbaar moesten worden (Joh. 9:3).

e) Deze mens reïncarneert tenslotte als Rembrandt en schildert door een speciale organisatie van zijn gezichtsvermogen mens en natuur clair-obscur, zoals de Atlantische mens zichzelf en de natuur waarnam vóór het grote, morele verval van die tijd. Hij schildert in feite een oude, vergeten wereldatmosfeer, nog zwanger van (ongezien) goddelijk leven,- opdat de mens die niet zou vergeten in de moderne tijd, waarin de wereldatmosfeer verschraalt lijkt.

f) En vele malen schildert Rembrandt Jezus als Atlantiër in een Atlantische atmosfeer."

Bij deze voetnoot  stond  echter geen link vermeld en de webmeester van de huidige website http://imagilogos.nl van  Munin Nederlander kon desgevraagd ook niet aangeven waar nu precies deze bronvermelding te achterhalen is. Eigen onderzoek op verschillende Duitse websites van de digitale Rudolf Steiner Gesamtausgabe leverde ook niets op en daarom is de titel van deze aankondiging vooralsnog van een vraagteken voorzien.

De volgende 9de en 10de  afleveringen op zondagmiddag op 31 maart en 7 april van deze reeks van 12 voorlezingen, die ook de herdoop van  Amsterdam als wit magisch centrum van het christelijk-hermetisme beogen, hebben in de aanloop naar Pasen, de veertigdagentijd,  als onderwerp De Lijdensweg van Christus. Ze zijn daarmee een vrije  bijdrage ter verdieping van het religieuze, uit Amerika overgewaaide  kunstproject  van kerkelijke en kunstinstellingen  in de binnenstad van Amsterdam  “Art Stations of the Cross: Troubled Waters” dat bestaat uit een route van 14 (plus 1) staties  van de Lijdensweg met allerlei ondersteunende activiteiten.

Noot: Dit eerste deel van het 8ste hoofdstuk Het oordeel ten gevolge waarvan de blinden ziende en de zienden blind worden” waar de bovengenoemde voetnoot  in der hervertaling van De Groot werd aangebracht is als onderdeel van de hele vertaling hier te lezen. Dit hoofdstuk veronderstelt, zoals  hele werk van Valentin Tomberg, een basiskennis van de antroposofie die in de basiswerken van Rudolf Steiner, zoals Theosofie en De wetenschap van de geheimen der ziel verkregen kan worden
Op deze blog kunnen deze en alle  berichten en aankondigingen van de vorige lezingen nagelezen worden.
De voorlezingen kunnen apart bezocht worden. Voor deelname wordt een vrije bijdrage van circa 10 Euro gevraagd.

Plaats: Ita Wegmanhuis. Weteringschans 74, 1017 XR Amsterdam
Datum en tijd: Zondagmiddag 24 maart, 14.30  tot 18.00 uur
Info: Robert Jan Kelder; info@willehalm.nl; Tel. 020-6944572;06-23559564  


woensdag 13 maart 2019

Aankondiging 7de lezing “De tekenen en wonderen van Christus Jezus volgens het Johannesevangelie” op 17 maart in het Ita Wegmanhuis te Amsterdam in het kader "Gods Rijk op Aarde realiseren - De antroposofische beweging als het Nieuwe Christendom"


Is het wegens de bar slechte reputatie die het werk en de persoon Valentin Tomberg door het euvele smaadschrift "Der Fall Tomberg" van wijlen bestuurslid van de Algemene Antroposofische Vereniging in Dornach, Sergej Prokofieff heeft gekregen - hij zou een Jezuïtische verrader van de antroposofie zijn en de Antroposofische Vereniging noch de Katholieke Kerk een goede dienst hebben bewezen - dat antroposofen het massaal laten afweten om deze lopende lezingenreeks van de 12 hoofdstukken uit het magistrale werk "Antroposofische beschouwingen over het Nieuwe Testament" van Valentin Tomberg in het kader van “Gods Rijk op Aarde realiseren – De antroposofische beweging als het Nieuwe Christendom” door de vertaler Robert Jan Kelder een bezoek waardig te achten? Wie zal het zeggen?

Dat ook orthodoxe christenen het laten afweten om de bij de 5de lezing begonnen herdoop van onze hoofdstad van een Grijs tot Wit magisch centrum van het christelijk-hermetisme bij te wonen, is echter niet zo vreemd, gezien de vooroordelen die daar immers nog steeds heersen over alles wat maar enigszins naar magie en occultisme riekt.  Daar zijn genoeg voorbeelden van. Zo kon gisteren in de reportage “Monique Le Grand wilde een heksenkring opzetten in Ermelo en Harderwijk, tot er voor haar gewaarschuwd werd vanaf de kansel” in de Verdieping van het dagblad Trouw de uitlatingen gelezen worden van ene Ria Adam (60) die “de afgelopen maanden bad tegen de komst van de natuurheks. Ze vroeg ook om gebed op de Facebookpagina ‘Christenen in Nederland’, dat gaf God haar in […], ‘Ik wilde mensen waarschuwen. Alleen bij God vind je het leven, niet in de witte magie.’”

Hoe dan ook, voor degenen die hun negatief oordeel wellicht eens willen heroverwegen aan de hand van een oorspronkelijke tekst, maar ook voor alle vrienden van de antroposofie en onbevooroordeelde christenen die nog nooit iets van Valentin Tomberg gehoord of gelezen hebben en er voor open staan, is in de bijlage onderaan deel 3 "De zeven beden van het Onze Vader als de weg naar een nieuwe lotsverhouding tot God de Vader" uit het 6de hoofdstuk van deze Beschouwingen te lezen, dat vorige zondagmiddag, 10 maart voor een klein, maar trouw gezelschap in de Grote Zaal van het Ita Wegmanhuis ten gehoor werd gebracht. (Deze tekst veronderstelt wel een basiskennis van de antroposofie over de wezensdelen van de mens als lichaam,ziel en geest en het kosmisch ontstaan en ontwikkeling van de aarde, die in de basiswerken “Theosofie” en “ De Wetenschap van de geheimen der ziel” van Rudolf Steiner te verschaffen is.)

Dit bestand begint met een beschouwing over de ontwikkeling van het begrip nadenken via het begrip meditatie naar dat van de bede en vormt als zodanig een verdiepende aanvulling op de aankondiging in het maandblad Motief van deze maand "Mediteren, waarom zou je?" van Jaap van de Weg voor de "Dag over meditatie" dat voor de derde keer de Antroposofische Vereniging in Nederland  organiseert over dat actuele onderwerp. Daarna gaat dit bestand over naar een inspirerende beschouwing van wat je "Het Onze Vader 2.0" zou kunnen noemen, daar het een grote vertaalslag van deze 7 beden maakt van het bewustzijnsniveau van de verstands- of gemoedsziel uit de tijd dat Jezus Christus "Het Onze Vader" de mensheid toevertrouwde tot het kritische bewustszijnszielentijdperk van de huidige mensheid.

Op zondagmiddag 17 maart zal vervolgens het 7de hoofdstuk "De tekenen en wonderen van Christus Jezus volgens het Johannes-evangelie" ten gehoor worden gebracht, voorafgegaan door een inleiding en commentaar op de verdere poging om aan de hand van dit werk van Valentin Tomberg, die door spreker als de gereïncarneerde Hermes Tresmegistos, de stichter van de oer-oude Egyptische beschaving werd voorgesteld, ondersteund door de grafiek "Ons kosmisch systeem" van Willy Conrad, dat in één opslag alle geheimen van de wetenschap van de ziel prijsgeeft, een beursbanner van het beeldhouwwerk "De mensheidsrepresentant" van Rudolf Steiner en een deeltentoonstelling van de "Deugden - Krachten van het Nieuwe Christendom" van de schrijver Herbert Witzenmann en de kunstschilder Jan de Kok, om dus aan de hand daarvan onze keizerlijke hoofdstad van een Grijs tot een Wit magisch centrum van het christelijk-hermetisme te herdopen. Wellicht zal reeds dan en daar een proefexemplaar 0.1. van "De Godsvriend -Orgaan van de Willehalm Ridderorde van het Woord (i.o.)", dat verleden zondag werd aangekondigd, het daglicht al zien.

Voor de datums van deze en de nog 5 volgende voorlezingen, die apart bezocht kunnen worden, en voor aankondigingen en berichten van de vorige afleveringen, zie onderaan en de rest van deze blog "Het Nieuwe Christendom". Toegang is gratis, wel is een vrije bijdrage van € 10,00 ter dekking van de onkosten gewenst. Voor tee, koffie en/of limonade voor deze door sommige als marathon ondervonden lezingen wordt gezorgd. De slag bij Marathon onder aanvoering van de Atheense krijgsheer en staatsman Miltiades werd echter tegen de grote overmacht van het Perzisch leger gewonnen, doordat de Grieken geïnspireerd werden, zo verteld Rudolf Steiner, door de machtige impuls van de Griekse mysteriën.

Moge de impuls van de door Rudolf Steiner opnieuw opgerichte en door Valentin Tomberg verdiepte mysteriewijsheid, de antroposofie, de nodige kracht en wijsheid verlenen om de doop en verdere bloei en groei van Amsterdam met de haar door Koningin Wilhelmina verleende motto's "Heldhaftig, Standvastig en Barmhartig" op haar keizerlijk wapen als Wit magisch centrum geleidelijk aan te voltooien!

* * *

Programma:

VII. Zondag 17 maart: De tekenen en wonderen van Christus Jezus naar het Johannes-Evangelie 
VIII. Zondag 24 maart:  De genezing van de blindgeborene en de opwekking van Lazarus
IX. Zondag 31 maart:     De Lijdensweg
X. Zondag 7 april:          De hogere treden  van de Lijdensweg
XI. Zondag 26 mei:        Het Mysterie van Golgotha
XII. Zondag 2 juni:        De Pinkstergebeurtenis

Locatie en tijd: Grote zaal van het ITA Wegmanhuis, Weteringschans 74, 1017 XR Amsterdam van 14:30-18:00 uur
Informatie: Willehalm Stichting, Kerkstraat 386a, 1017 JB Amsterdam; info@willehalm.nl; Tel. 06-23559564; 020-6944572
Toegang: Gratis, aanmelding is niet nodig; vrijwillige donatie gewenst (richtbedrag ± 10 Euro)
Noot: Alle hoofdstukken zijn als werkvertaling na te lezen op: http://jezus-van-nazareth.blogspot.nl


Bijlage:

3. De zeven beden van het Onze Vader als de
weg naar een nieuwe lotsverhouding tot God de Vader[1]


Noot vooraf: Onderstaande tekst is deel 3 van het 6de hoofdstuk “Het Onze Vader als een weg tot lotsverbinding met God De Vader” uit “Antroposofische beschouwingen over het Nieuwe Testament” van Valentin Tomberg, waarvan alle 12 hoofdstukken hier na te lezen zijn. Zoals al gezegd, veronderstelt deze tekst een basiskennis van de antroposofie van Rudolf Steiner die te verschaffen is in zijn basiswerken "Theosofie" en "De wetenschap van de geheimen der ziel" 

Het behoort tot de echt moeilijke taken van de huidige tijd om tegenover hen die door de geesteswetenschap onberoerd gebleven zijn, het verschil tussen nadenken, reflectie en meditatie duidelijk te maken. Dit wordt in het bijzonder bemoeilijkt doordat enerzijds de meditatie als gevolg van een dieper nadenken zich voordoet, maar dat zij anderzijds in bepaalde opzichten van het nadenken niet alleen verschilt, maar daaraan ook tegengesteld is. Want terwijl het bij het gewone denken erom gaat een uniek inzicht in het onderwerp van de overdenking te verkrijgen, gaat het bij meditatie om een herhaalde onderdompeling in een zodanig inzicht. Het denken stopt op het punt waar het iets ontdekt heeft – voor het zich nog langer bezig houden met het reeds gekende vindt het geen aanleiding. Dit is echter het punt waarop de meditatie kan beginnen. Want de aanleiding tot meditatie ligt niet in het verkrijgen van een nieuwe kennis, maar in de mogelijkheid om in de reeds verworven kennis te leven.
            Niet het vinden van een nieuwe gedachte-inhoud is de beweegrede tot meditatie, maar het onderbrengen van deze inhoud in het voelen en in het willen. De waarheidsinhoud tot inhoud van de hele mens te maken – dit is het doel van de meditatie, die zo lang wordt volgehouden als het nodig is om de heldere gedachte-inhoud tot heldere kracht-inhoud van de wil te transformeren. Daarom is meditatie een oefening, terwijl het nadenken een eenmalige doelhandeling is.
            Maar nu gebeurt er met de meditatie in de loop van haar ontwikkeling een soortgelijke metamorfose, als in de loop van de ontwikkeling van het nadenken dat tot meditatie wordt. Zoals het tot inzicht gekomen nadenken op dit punt ofwel kan stoppen ofwel zich kan omzetten in het beoefenen van meditatie, zo kan een tot de wilsdoorlichting voorgedrongen meditatie ofwel op dit punt ophouden, ofwel zich in een andere, hogere activiteit transformeren. Deze hogere activiteit die uit de meditatie – als haar hoger stadium – tot bloei kan komen, knoopt aan bij het punt waar de oorspronkelijke beweegreden tot meditatie zichzelf heeft uitgeput. Want wanneer het doel van de meditant erin bestaat om zich volledig met een inhoud te doordringen, dan kan zich eenmaal het moment voordoen waarop de meditant weet: de gedachte vervult mijn hele wezen.
            Dit moment kan echter tegelijkertijd de beweegrede tot een verdere activiteit baren. Want doordat de inhoud van de meditatie de wil doordringt, wordt deze tot een aan de wereld gewijde wil. Deze toewijding van de wil aan de wereld brengt ook de eis met zich mee naar de activiteit ervan ten bate van de wereld. Was de beweegreden van de meditatie tot dan toe de bekrachtiging van de heldere en goede krachten van de eigen ziel, nu wordt ze tot de wil om tot de bekrachtiging van het goede en het heldere in de wereld bij te dragen. De herhaalde oefening van de krachten van de ziel wordt als gevolg daarvan tot een herhaalde uitoefening van deze krachten. Daarbij is er geen sprake meer van dat er iets voor de eigen ontwikkeling wordt gedaan, maar gaat het er met name om dat er iets noodzakelijks in de wereld geschiede. Meditatie wordt daarmee tot een bewuste deelname aan het objectieve wereldgebeuren.
            De vraag naar wezen en oorsprong van het Godsbegrip kan bv. tot een veelzijdige en diepe overdenking aanleiding geven. Zo kan de sedert oertijden als een zegelafdruk in het bewustzijn van de mensheid ingeprente "Naam van de Vader" tot onderwerp van meditatie worden. Deze meditatie verheft zich echter tot deelname aan een geestelijk gebeuren, wanneer de mens de krachten van zijn denken, voelen en willen laat instromen in de zin: Uw Naam worde geheiligd. Dan komt het noch op de vraag: wat is de naam aan, noch alleen op de oefening ten behoeve van scholing; maar komt het er op aan dat de naam van de Vader geheiligd worde.
            Een dergelijke in naam van de mensheid volbrachte uitstroom van denk-, gevoels- en wilskracht van de mens geschiedt vanuit een levende verbintenis met een hogere wezensdeel van de mens dan de wezensdelen die als tot de ziel behorend worden aangeduid. Want het nadenken dat zich van het logisch denkvermogen bedient, is een activiteit die door de verstandsziel mogelijk wordt gemaakt. Wordt het nadenken tot meditatie, in de zin van een zich steeds intensievere bewustwording van het reeds gekende, dan is bij de meditatieve inspanning de bewustzijnsziel actief; maar wanneer de meditatie het stadium bereikt van deelname aan het macrokosmische gebeuren, dan treedt in de geestelijke activiteit van de mens het geestzelf (Manas) op. Dit laatste uit zich in het feit dat de mens zijn krachten aan de wereldaangelegenheden toewijdt.
            Van de wereldaangelegenheden, waaraan de mens zich kan wijden, komt hem allereerst als het belangrijkste voor om de vervreemding van hemel en aarde tegen te gaan, doordat hij ernaar kan streven om een verbinding tussen beide rijken te scheppen. Dit is de eerste opgave van het vrije menselijke Ik: een vrije schakel tussen hemel en aarde te worden.
            Nu is het Ik datgene wat de oereigenste wezensgesteldheid van de mens inhoudt. Het Ik van de mens is zijn ware naam in de kosmos. Deze naam kan alleen de mens in kwestie uitspreken (een feit waar Rudolf Steiner enkele malen in verschillende contexten op heeft gewezen). Geen mens kan tegenover de ander "Ik" zeggen; dit woord heeft alleen betekenis en belang wanneer het uit de mond van de betrokken mens zelf vernomen wordt. Deze onzinnigheid van het oereigen naamgebruik van de ene mens tegenover de andere is tegelijk uitdrukking van de onschendbaarheid van het innerlijke heiligdom, van de vrijheid, van het Ik. De uitspreekbaarheid van de "naam" van een ander mens is de alleruiterlijkste zintuiglijk waarneembare uitdrukking van het feit van het beschermd-zijn van deze naam, als het oereigendom van de mens, tegen misbruik – d.w.z. tegen de verkrachting van zijn vrijheid. Dat het heiligdom van de menselijke naam geheiligd wordt – daar wordt door het wereldkarma voor gezorgd, zolang de mens zelf zijn "naam" niet verraadt, d.w.z. vrijheid niet zelf opgeeft en zich voor een andere macht bewust buigt (Lucas 4:7).
            Zoals de menselijk "naam" alleen door de betreffende mens zelf "uitgesproken" kan worden, zo kan de "Naam" van God de Vader door niemand in de bovenstaande zin "uitgesproken" worden. Want de individualiteiten van de wezens van de wereld zijn uit de Vaderwezenheid ontstaan, zodat de Vaderwezenheid voor alle wezens transsubjectief is, d.w.z. dat het achter het individuele subject staat. En doordat de individualiteiten van die wezens er zijn, spreekt de Vaderwezenheid hun "namen" zelf uit. De enkele individualiteiten zijn "letters" waardoor het "woord" van de gesproken Naam van de Vader tot uitdrukking komt. En de gezamenlijkheid van de menselijke individualiteiten betekenen de Naam van de Vader, zoals Hij zich door de menselijke hiërarchie in de wereld manifesteert. Daarom zegt de eerste bede van het Onze Vader volgens haar inhoud: "Geheiligd worde de vrijheid van alle individualiteiten van de mensheid, zoals de vrijheid van de individuele persoonlijkheden geheiligd is, want de vrijheid van het individu (zijn "naam") heeft slechts zin en betekenis wanneer ze in de grote Vrijheidsnaam van de mensheid, dat is de Naam van de Vader, meeklinkt" –
            "Uw Naam worde geheiligd" is dus de bede om de verwezenlijking van de hiërarchie van de vrijheid als geheel; Het is de bede om de grote samenklank van de vele namen in de ene Naam van de Vader, welke geen louter som van individuele namen is, maar een openbaring van de Vader door de samenklank van alle wezens van de menselijke hiërarchie. En er mag – in de zin van deze bede – van dit koor geen enkel wezen verloren gaan, want dan zou de openbaring van de grote Naam onvolledig zijn. Geheiligd dient de grote Naam van de Vader te worden – en daarmee ook alle individuele persoonlijkheden, toegevoegd als die zijn aan de geheiligde, d.w.z. onaantastbare en beschermde Al-vereniging in de Naam van de Vader.
            Het streven naar deze Al-vereniging is de wezensopenbaring van het geestzelf of Manas in de mens, d.w.z. van de drager van de missie van het Ik, van zijn ware individuele "naam", van incarnatie tot incarnatie. Het geestzelf is eigenlijk dat wezensdeel van de mens dat ernaar streeft om de in de wereldharmonie begrepen toon van de individualiteit tot gelding te brengen.
            Nu zou deze toon tot zijn recht gekomen zijn, wanneer ze niet door een valse toon, een verkeerde naam tegengewerkt zou zijn. Want zoals het geestzelf op de harmonie van de individualiteit met de kosmos is ingesteld, zo is het Luciferisch persoonlijkheidsprincipe in het astraallichaam op een eigen toon ingesteld, die met de wereldharmonie geen rekening houdt. Ten gevolge van deze Luciferische inslag ontstaat de kakofonie, de dissonantie in de menselijke hiërarchie.
            Alle versplintering van de mensheid geschiedt als gevolg van deze "valse naam" van de mens, die uit het principe van het egoïsme ontstaan is. En tegen die versnippering van de mensheid, tegen de valse vrijheid van het egoïsme, is de bede van het Onze Vader gericht: "Uw Naam worde geheiligd" – aan welke bede de vaststelling ten grondslag ligt dat de heiliging van de Naam van de Vader de heiliging van elke individuele ware naam beduidt, maar dat de ware naam van het individuele wezen alleen tot gelding kan komen, doordat de mens de "naam", de innerlijke vrijheid, van ieder ander mens als even heilig beschouwt als zijn naam geheiligd is, want alle "namen" zijn uitdrukkingstekens van de Naam van de Vader.
            Zo ligt aan de eerste bede van het Onze Vader het weegschaalprincipe ten grondslag. Men zou dus bij de bede: "Uw Naam worde geheiligd", de woorden: "zoals wij de namen van de mensen heiligen" innerlijk erbij kunnen denken. Dit erbij te denkende deel van de bede geeft de innerlijke rechtvaardiging voor de bede. Want alleen het heilig houden van de innerlijke vrijheidsbron in de andere mens geeft de mens het recht de bede uit te spreken, dat door deze vrijheidsbron van alle mensen de Vader Zich openbare en ze allen heilige, doordat Zijn Naam zelf geheiligd worde.
            Maar in tegenstelling tot bv. de vijfde bede van het Onze Vader, waar het gerechtvaardigde deel van de bede wel wordt uitgesproken, blijft dit deel in de eerste bede onuitgesproken. De reden voor dit zwijgen kan uiteraard worden ingezien, wanneer men bedenkt dat het Onze Vader enerzijds in een bepaalde ontwikkelingstijdperk van de mensheid gegeven werd, maar dat het anderzijds niet alleen voor dat ontwikkelingstijdperk bedoeld was. Kan dan over dat ontwikkelingsstadium naar de vrijheid dat in het vierde tijdperk werd bereikt, zelfs ook over het huidige ontwikkelingsstadium van, in exoterisch-algemene zin gezegd worden: "zoals wij de naam van de mens heiligen"? Werd destijds – en wordt vandaag de dag – de onaantastbaarheid van de menselijke innerlijke vrijheid zo hoog gewaardeerd dat zulk een woord met het werkelijke ontwikkelingsstadium van de mensheid overeenkwam en ook nu nog overeenkomt? – De onuitgesproken delen van het Onze Vader zullen verklinken – geleidelijk aan – wanneer de mensheid het overeenkomstige stadium van spirituele ontwikkeling zal hebben bereikt. En gedurende het zesde tijdperk (van "Filadelfia" uit de Openbaringen) zal de Manas-bede van het Onze Vader ook in haar onuitgesproken deel voor het bewustzijn van een bredere kring van de mensheid klinken.

Ligt de essentie van het streven van het geestzelf in de bede om de geheiligde Al-vereniging van alle mensen, de essentie van het streven van de levensgeest (Buddhi) gaat in die richting verder. Daarbij gaat het niet alleen om de verwezenlijking van de eenheid van de menselijke hiërarchie, maar vooral om de verwezenlijking van de missie van deze verenigde menselijke hiërarchie ten opzichte van andere wezens. Want er zijn in de wereld wezens die van de mensheid afhankelijk zijn. Dat zijn de wezens die door het totaalbegrip "de natuur" worden samengevat. De afhankelijkheid van de natuurrijken van de mensheid bestaat hieruit dat de natuur weliswaar aan zog. "natuurwetten" onderworpen is, maar dat de morele wet alleen in het innerlijk van de mens geldt, terwijl de Natuur daarvan is uitgesloten.
            Dit feit en de daaruit voor de mensheid voortvloeiende opgaven en plichten werden reeds in de vorige beschouwing (in verband met de spreuk "Het zout der aarde") besproken; datgene waar het hier op aankomt is een verdere stap te zetten, in de zin van een dieper en nauwkeuriger begrip van deze opgaven en plichten. En wel komt het daarbij in eerste instantie erop aan dat men de fasen van het verlossingswerk van de natuur door de mensheid nader gaat bezien.
            De eerste van deze fasen is het inzicht van de tot gewetensziel uitgegroeide bewustzijnsziel in de samenhang tussen de toestand van de natuur als decadente menselijkheid en de menselijke zondeval; daarop volgt als verdere stap de verwerkelijking van de verbinding van de natuur met het moreel-geestelijke door de Manas-dragende mensheid.
            Maar deze verbinding, die door het toevoegen van het "zout der aarde", de morele ether, verwerkelijkt zal worden, betekent nog niet de verlossing van de natuur. Dit laatste is aan het toekomstige Venus-bestaan van de aardeontwikkeling voorbehouden, wanneer het Buddhi- of het levensgeestprincipe van de mensheid volledig ontplooid zal zijn. Dan zal de van de menselijke morele kracht afkomstige straling niet alleen richtinggevend voor de natuur zijn, maar ze zal de natuurwezens zelf van morele levenskracht voorzien. De natuur zal dan niet alleen geleid worden, doordat ze de mensen vol vertrouwen zal volgen, maar ze zal zelf in het bezit van eigen morele krachten komen. Dan zullen bv. de nakomelingen van het aardse plantenrijk niet meer volgens "organische", maar volgens morele wetten, door groei hun vorm bestemmen. Er zullen daar niet meer soorten van bv. fanerogame [zaaddragende] en cryptogame [niet zaaddragende] wortelgewassen en van bladdragende en bladloze of wortelloze planten zijn, maar imaginatief-bewegende gestalten van  bv. goedheid, dankbaarheid, deemoed, enz., welke in klankvolle openbaring tot bloei komen.
            Het rijk van de natuur zal dan tot een wezenlijk ander rijk worden. Het zal zich moreel oprichten en een zelfstandige relatie met het Rijk der hemelen verkrijgen, en dan niet in de zin van een geharde weerspiegeling van het kosmische verleden, maar in de zin van een tegenwoordige reactie op de geestelijke gebeurtenissen in de hemelen. De natuur zal dan uit haar slaap ontwaken, d.w.z. ze zal niet langer op droomherinneringen uit het verleden aangewezen zijn, maar in de geestelijke tegenwoordigheid worden geplaatst. Het Rijk van de Vader zal tegenwoordig worden. De bede die het wezenlijke streven van de levensgeest, van het Buddhi, tot uitdrukking brengt: "Uw Rijk kome" is de bede om het tegenwoordig worden van het Rijk der Hemelen in de natuur.
            Opdat deze bede echter ook gerechtvaardigd zij, moet ze iets bevatten – zij het ook onuitgesproken – dat op de andere schaal van de weegschaal kan worden geplaatst.
            Indien de natuur in een andere relatie tot de Godheid dient te komen, dan zou uiteraard ook de mensheid iets vanuit zichzelf gedaan moeten hebben, opdat een dergelijke verandering geschiedde. Want als de bede daaruit bestaat dat de natuur van de banden van het verleden bevrijd worde en het Rijk der Hemelen tegenwoordig worde, dan zou van de kant van de mensheid, in haar verhouding tot de tijd, iets moeten geschieden dat met de verandering in de verhouding van de natuur tot de tijd overeenkomt.
            Opdat de natuur de tegenwoordigheid van het Rijk verleend worde (d.w.z. met andere woorden dat de ziel van de natuur ontwake, want de tegenwoordigheid is het principe van de ziel, zoals de toekomst het principe van de geest is en het verleden dat van het lichaam), heeft de mensheid zelf van de tegenwoordigheid af te zien en de toekomst te leven. Dit is de wezensaard van het Buddhi-bewustzijn: al het tegenwoordige wordt aan de omgeving weggegeven, terwijl de mens zelf alleen van en voor de toekomst leeft. En doordat het Buddhi-bewustzijn in de mensheid geldend zal worden, zal de mensheid haar ziel in de natuur doen uitstromen, terwijl ze zelf aan de geest zal zijn toegewijd.
            Van het tegenwoordige zal ze afzien ten gunste van de natuur en zelf zal ze aan de voorbereiding en verwerkelijking van de toekomst gewijd zijn. In die zin zou de tweede bede van het Onze Vader als geheel ongeveer op de volgende wijze opgevat kunnen worden: "Uw Rijk worde tegenwoordig, zoals wij de toekomst leven. Verlosse de natuur van de banden met het rijk van het verleden en schenke haar de tegenwoordigheid van Uw Rijk, zoals wij afzien van het tegenwoordige rijk en ons aan het Rijk van de toekomst wijden".
            Nu is echter toewijding aan de toekomst in wezen het leven voor de doelstellingen van de toekomst, die de mens in zijn wil opneemt. Dan leeft hij in zijn wil de toekomst vooruit, terwijl hij zijn hart aan de omgeving wijdt. Deze toestand van bewustzijn is de toestand van zijn kruisiging. De kruisiging is de opofferende toewijding van de hartekrachten – d.w.z., die van het heden – aan de omgeving, terwijl de wil zich tot in de verre toekomst uitstrekt. De bede van de komst van het Rijk bevat om deze reden steeds een zekere mate van kruisiging van het menselijk bewustzijn. En de mate van zijn kruisiging is ook bepalend voor de mate van gerechtvaardigdheid en daarmee van de werkzaamheid van de bede.

De offerdaad van het menselijk bewustzijn kan echter nog verder gaan dan het afstand doen van het tegenwoordige. Het kan het ook van de wil van de toekomst afzien. Dan is het offer een volledig offer, van het bewustzijn blijft niets over – zelfs zijn bestaan wordt dan twijfelachtig. Volbrengt het bewustzijn deze hoogste offerdaad, dan gaat het door de doodervaring heen. En het wonder van zijn opstanding, hetwelk daarop volgen kan, is de daad van God de Vader die de openbaring van de realiteit van de geestmens (Atma) veroorzaakt.
            De bede "Uw wil geschiede op aarde, zoals ook in de hemel" is het afstand doen van de wil, maar het is tegelijk de overdracht van deze wil aan de wezens van het lagere rijk.
            Zoals de volledige verwerkelijking van de tweede bede aan het toekomstige Venus-bestaan wordt voorbehouden, zo wordt de volledige verwerkelijking van de derde bede aan het toekomstige Vulcanus-bestaan voorbehouden. Want het is een letterlijke, vooral in het bijzonder voor het Onze Vader geldende waarheid, die door de woorden: "Hemel en aarde zullen voorbij gaan, maar mijn woorden zullen geenszins voorbijgaan" werd aangekondigd.
            Aldus hebben de woorden van de derde bede geldigheid tot in de Vulcanus-periode van ontwikkeling van de mensheid. En deze geldigheid zal zich in deze periode vooral bewijzen doordat, als gevolg van de opofferende dood en opstanding van het gevorderde stadium van de mensheid, het lagere, achtergebleven mensenrijk zal worden verlost. Dan zal het binnenste van de aarde zelf, de kern van het kwaad, worden getransformeerd, en de wil van de Vader zal letterlijk op aarde geschieden zoals die in de hemel geschiedt.
            De eerste drie beden van het Onze Vader bevatten dus, als hun innerlijke rechtvaardiging, het afstand doen van het eigen denken, d.w.z. van de eigen naamgeving, van het voelen en het willen. En daarbij is het afstand doen van het eigen denken de voorwaarde voor de Manas-bede; het afstand doen van het eigen voelen is verbonden met de Buddhi-bede en het afstand doen van het eigen willen is bevat in de Atma-bede van het Onze Vader.

De laatste bede omvat niet alleen de mensheid en de natuur, maar ook de ondernatuur, d.w.z. ook datgene wat tegenwoordig vanuit het binnenste van de aarde in de zin van het kwaad aan het aardoppervlak naar boven werkt. Deze werking is aan het aardoppervlak in alles wat stoffelijk is tegenwoordig.
            Nu is echter ook de verticaal gerichte, al het stoffelijke doordringende Vaderwerking eveneens in al het stoffelijke aanwezig. Het brood dat wij eten kan dus de drager van zowel de ene als de andere werking zijn. Het kan enerzijds de werking van het sacrament van het Avondmaal, van de Communie zijn, het kan echter anderzijds als middel tot bv. verduistering van het bewustzijn dienen dat miljoenen mensen tot een gemeenschap van haat, die het "dagelijks brood" op zijn banier draagt, verenigt.
            Er is nauwelijks een misdaad die niet in naam van het dagelijks brood zou zijn gepleegd; er is echter in de fysieke wereld niets heiligers, en in diepste zin ook niets dat meer heiligend werkt dan het brood van de Communie.
            Deze dubbele betekenis van het brood was de onderliggende oorzaak van de twee verschillende interpretaties van de vierde bede van het Onze Vader. Want er waren in de eerste eeuwen van de christelijke jaartelling twee leeswijzen van deze bede: "Geef ons heden ons substantiële brood (ton arton hemon ton epiusion-panem substantionalem )" Maar het gaat niet om de leeswijze, maar dat men begrijpt dat in het brood zelf twee werkingsrijken elkaar ontmoeten. En met name komt het erop aan dat het van de mens afhangt met welk rijk hij door het brood in een verhouding tot de Communie komt te staan.
            Want de betekenis van de vierde bede, als verzoek, bestaat juist in het feit dat ons brood uit handen van de Vader tegenwoordig ("vandaag") ontvangen wordt. Het gaat dus bij deze bede om de instelling van het menselijk bewustzijn op de Vaderwerking in het brood als fysieke substantie. Het gaat ook niet om een louter symbolisch "brood", noch om de louter symbolische voedingsstof. Want voeding is datgene wat nodig is voor het leven in een fysiek lichaam op aarde – maar het is niet alleen nodig opdat de mens leve, maar ook opdat hij als mens kan leven.
            Het fysieke lichaam is niet alleen een combinatie van stoffen, maar ook een krachtenstructuur van de morele wilskrachten van de wereld. En als zodanig heeft het enerzijds stoffen, anderzijds morele krachten nodig om niet alleen als louter fysieke structuur, maar ook als een op het geestelijk-psychische wezen van de mens gerichte organisatie behouden te blijven.
            Het lichaam van de mens leeft, als menselijk lichaam, in letterlijke zin "niet van brood alleen, maar van ieder woord dat uit de mond van God komt". In de diepste diepten van het onderbewustzijn klinkt het woord van God, het lichaam vormgevend en ondersteunend, zoals aan de andere kant in de diepten van de stofwisseling de processen van de assimilatie van voedingsstoffen voor de opbouw van het lichaam plaatsvinden. En feitelijk behoort tot het leven en handhaven van het lichaam zowel het ene als het andere.
            In het tegenwoordige moment ("vandaag de dag") dienen deze twee levensvoorwaarden van het lichaam in evenwicht te blijven. In de verleidingsscène in de woestijn werd het feit van de noodzaak van dit evenwicht door de woorden van de Christus Jezus uitgedrukt, toen Hij zei: "Niet van brood alleen leeft de mens, maar van ieder woord dat uit de mond van God komt".
            Daarmee is de vierde bede van het Onze Vader een uitdrukking van de noodzaak van dit evenwicht, een bede om dit evenwicht. Volgens haar innerlijke betekenis is deze bede de bede van de mensheid om dezelfde kracht die de Christus Jezus openbaarde bij de afwijzing van de verzoeking om stenen in brood om te zetten. Ze zou om die reden ook ongeveer op de volgende wijze begripsmatig kunnen worden uitgedrukt: "Geef ons in de tegenwoordige tijd het aardse brood, dat net zo met Uw werking is doordesemd als het hemelse woord met de werking van Uw wezen is doordesemd, waar we hongerend naar verlangen".

Heeft de vierde bede betrekking op de stofwisselings- en wilsprocessen in het fysieke lichaam, zo heeft de vijfde bede betrekking op het overeenkomstig innerlijk werkingsgebied van het etherlichaam. Want ook het etherlichaam heeft een soort van "stofwisselings-wilsorganisatie". Zijn "stofwisseling" manifesteert zich in zijn herinnerings­leven; de belevenissen uit het verleden leven in het etherlichaam verder en vullen hem evenzo als de voedingsstoffen het fysieke lichaam vullen. Zijn wilsactiviteit uit zich echter in de morele processen van "onthouden" en "vergeten", d.w.z. in het uitwissen van bepaalde belevenissen of, in tegendeel, in het versterken ervan.
            Zo draagt het etherlichaam in zich zowel ervaringen uit het verleden, die door koudestromingen verschrompeling veroorzaken, alsook zulke ervaringen die door warmtestralingen wezensgroei veroorzaken.
            De morele kant van "behouden" en "vergeten" in het etherlichaam bestaat vooral uit het feit dat ofwel de ziekmakende negatieve inhoud door de positieve, gezondmakende inhoud overstraald worden, ofwel dat de eerste de laatste overstralen. De mens kan in zijn levensloop daaraan niets meer veranderen; het verleden staat daar, onbeweeglijk en onveranderlijk, en haar schulden staan vast als pijlers. En juist omdat de mens daar direct niets aan kan veranderen, richt hij de vijfde bede van het Onze Vader tot God de Vader. Alleen doet hij dat niet in zijn eigen naam, vanwege alleen zijn persoonlijke schuld, maar in naam van de mensheid, vanwege de schuld van de mensheid.
            De inhoud van de bede is de hoop dat het negatieve verleden waaraan de mensheid lijdt, zal worden verwijderd. Dit uitwissen van het verleden, als een moreel-bewust "vergeten", is vergeving. De vergeving van de kant van de Vader kan echter alleen gebeuren in het geval dat op de menselijke, onderste schaal van de karmische weegschaal een tegenwaarde gelegd wordt. Zodoende is de voorwaarde voor de vergeving van onze schuld dat wij onze schuldenaren vergeven.
            Als de mens tegenover andere mensen het negatieve in morele zin leert te "vergeten" in zijn astrale wezen, waar het uiteraard in zijn macht ligt om de inhouden te veranderen, dan zal ook in zijn etherlichaam, waar hij geen macht heeft om iets te veranderen, zijn negatieve inhouden worden verwijderd. Wie in zijn astraallichaam de inhoud van de schuld van de ander astraal, d.w.z. als antipathie, uitwist, bij hem zullen ook overeenkomstig in zijn etherisch lichaam de inhouden van zijn schuld etherisch, d.w.z. als diepe ziekteoorzaken verwijderd worden.
            Nu gaat het echter bij de vijfde bede, zoals gezegd, niet alleen om individuele zaken, maar om al het individuele omvattende mensheidsaangelegenheden. Daarom wordt ook niet deze of gene schuld bedoeld wanneer er om vergeving gevraagd wordt, maar de schuld van de mensheid waar de individuele schulden uit volgen. Deze schuld van de mensheid is echter dezelfde schuld die als mogelijkheid bij de verzoeking in de woestijn tot de Christus Jezus naderde, namelijk om de aarde in bezit te nemen tegen de prijs van de aanbidding van de Heer van deze wereld. De Christus Jezus verwierp deze verzoeking; de mensheid echter was bij de oerverzoeking in het paradijs hiervoor gezwicht.
            De zogenaamde "erfzonde" is het resultaat van de oerschuld van de mensheid, die enerzijds heerser en meester van de Aarde werd, maar daarna in een afhankelijkheidsrelatie met de vorst van deze wereld verzeild raakte. De vergeving van de individuele schuld van andere mensen kan dus het effect hebben dat de niet individuele erfzonde in haar gevolgen wordt uitgedelgd. Want de bede sluit zich elke keer bij de stem van de Zoon aan, die steeds het voorbede-argument: "Vergeef hen, want zij wisten niet wat zij doen" aan de Vader voorlegt. Opdat dit geschiede werd de vijfde bede van het Onze Vader, het gebed van de genezing van de gevolgen van de erfzonde, door Christus Jezus voor de mensheid uitgesproken: "En vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren".

Terwijl het bij de vijfde bede om de vergeving van de algemene schuld gaat, de bede die haar rechtvaardiging vond in de vergeving door de enkeling van de individuele schulden van andere mensen naar hem toe, gaat het in de zesde bede juist om de eigen individuele schulden van de mensen. En wel in die zin gaat het daar om de individuele schulden van de mensen, in zover dat de bron, de mogelijkheid van een dergelijke schuldenlast het onderwerp van de bede is. Want de verzoeking is de oorzaak en het begin van een dergelijke schuldenlast.
            Nu is de tekst van de zesde bede een zodanige, dat men de indruk krijgt alsof God de Vader de mens zou proberen te verzoeken. Dat dit ondenkbaar is ligt voor de hand; dat echter de bede nog steeds luidt: "Leid ons niet in verzoeking" is eveneens een feit. De raadselachtigheid  van deze paradox lost zich op, wanneer men de verhouding van het kwaad tot God de Vader in de diepere zin opvat, waarin die bv. in het boek Job in het Oude Testament wordt weergegeven, of ook in Goethe’s Faust (Proloog in de hemel). Aan het kwaad wordt daar door God de Vader een termijn verleend, waarin de mens door het kwaad mag worden verleid, om beproefd te worden. Zulke termijnen zijn er daadwerkelijk, zowel in het leven van de individuele mens alsook in de loop van de geschiedenis van de mensheid. Zo is bv. wat men als het "Kali-Yuga" aanduidt een dergelijke termijn in de geschiedenis van de mensheid.
            Het "in verzoeking leiden" bestaat dus enerzijds hieruit, dat aan de verzoekende machten de mogelijkheid wordt verleend van buitenaf aan te treden; anderzijds bestaat ze echter uit het feit dat in het menselijke astraallichaam door de Luciferische invloed de natuurlijke neiging aanwezig is om aan de verzoeking ten prooi te vallen. Het menselijke Ik is uiteraard in een positie om niet aan deze neiging toe te geven. Dat het menselijke Ik tegen de innerlijke verleiding stand houdt, blijkt uit het feit dat het aan de macht van het goede en de waarheid – die niet als uiterlijke kracht, maar door zijn wezenheid zelf werkt – niet twijfelt. Want achter ieder grijpen naar uiterlijke machtsmiddelen en maatregelen (ook ten behoeve van het leiden van de mensen tot het goede) verschuilt zich de twijfel aan de onmiddellijke effectiviteit van het ware en het goede, d.w.z. het ongeloof in God. En dit gebrek aan geloof in de kracht van het ware en het goede, door de inhoud zelf ervan, uit zich met name in de eis dat deze macht zich uiterlijk dient te tonen.
            Het karma moest tijdens het Kali-Yuga als een geheim voor het bewustzijn van de Europese mensheid bewaard blijven, opdat deze mensheid de beproeving zou doorstaan en het geloof in het ware en het goede op zichzelf, niet echter omwille van de karmische gevolgen, zou leren en laten beproeven.
            En in de tijd dat de werking van de karmische vergelding verborgen was, naderde de verzoeking van het kwaad op zichtbare wijze tot de mensheid. Zo  ontstond de situatie van grote beproeving: het goede en het ware lijken tot louter menselijke "idealen" te zijn vervaagd, terwijl het kwaad met de donderstem van het natuurgeweld sprak. Wie echter in deze situatie het "ideaal" trouw bleef, d.w.z. door afstand te doen van elk extern "bewijs" van de macht van het goede, en in de onoverwinnelijkheid van waarheid en goedheid – wegens hun innerlijke waarde – te blijven geloven, die heeft daarmee ook de rechtvaardiging om de zesde bede, als zijnde de bede om de wederkerigheid van het vertrouwen tussen mens en God, uit te spreken. Want het niet uitgesproken rechtvaardigende deel van deze bede zou in de volgende woorden gedacht kunnen worden: "En leid ons niet in verzoeking, zoals wij  U niet verzoeken, doordat wij geen uiterlijke manifestatie van Uw kracht verwachten."
            Opnieuw vinden we in de verzoeking in de woestijn van Christus Jezus de sleutel tot een dieper begrip van deze bede: terwijl de verzoeker tot de Christus Jezus komt met de verzoeking om de werkelijkheid van het Goddelijke door een uiterlijk wonder (val van de tinne van de tempel) te bewijzen, wijst Christus Jezus de verzoeker terug met de woorden: "Er staat geschreven: 'Gij zult God, uw Heer, niet verzoeken'." En de rechtvaardiging voor de bede om verschoond te blijven van de verzoeking bestaat juist in dit afstand doen van de menselijke neiging om God te verzoeken, d.w.z. Hem niet als waarheid, maar als een de waarheid bewijzende en aantonende uiterlijke macht te willen zien.

Zoals de vierde, vijfde en zesde bede van het Onze Vader betrekking hebben op de drie verzoekingen in de woestijn, zo heeft de zevende bede betrekking op de grote beproeving die in de Gethsemane-nacht door de Christus Jezus werd doorstaan. Daarbij gaat het om het verzet van de objectieve werking van het oerkwaad tegenover de wereld, dat met het woord "euvel" (poneron) kan worden geïdentificeerd. Dit kwaad openbaart zich wat zijn wezen betreft in het geheel nog niet in het bewustzijn van de mens; het werkt slechts als verre kracht[2] door het ahrimanische wezen en manifesteert zich in zijn werking als een angstaanjagende, duistere kracht in het onderbewustzijn van het lichaam. In die zin is deze werking het volkomen tegendeel van het menselijke Ik. Want zoals het Ik het helderste punt in de lichamelijke organisatie van de mens veroorzaakt, zo veroorzaakt het euvel het punt van de grootste duisternis.
            Maar de mens die zich de moeite troost om het objectieve kwaad in de wereld al kennend te bestrijden, kan van het euvel worden verlost. De rechtvaardiging, d.w.z. de werkzaamheid van de bede: "maar verlos ons van het euvel" hangt af van de vraag of de mens het kwaad in de wereld tegenwerkt. Op die manier zou deze bede innerlijk op de volgende wijze aan te vullen zijn: "Maar verlos ons van het euvel, zoals wij tegen het kwaad van de wereld strijden."

Aldus is de geestelijk-morele opbouw van het Onze Vader zodanig, dat drie offers en vier manieren om de verzoeking te weerstaan, aan de zeven beden hun karmisch gewicht verlenen. De driehoek van de geest en het vierkant van de aardse persoonlijkheid die aan het Onze Vader ten grondslag liggen, zijn tegelijk uitdrukking van de offer- en weerstandsvaardigheid van de zevengelede mens. In overeenstemming met deze vaardigheden weegt de karmische weegschaal van het Nieuwe Verbond, waarvan de onderste schaal op de Aarde en de bovenste schaal in de handen van de Vader is.

* * *





[1] Bij de beide nu volgende delen wordt het werk van Rudolf Steiner "Das Vaterunser. Eine esoterische Betrachtung" (in "Das christliche Mysterium", GA 97) [vertaald als “Het Onze Vader” door Uitg. Pentagon] bij de lezer als bekend verondersteld. Andere werken die dit onderwerp in dezelfde richting behandelen zijn de auteur niet bekend.
[2] Meer hierover in de V. beschouwing van Deel 1, "Antroposofische beschouwingen over het Oude Testament"

woensdag 6 maart 2019

Bericht en aankondiging: “Wit Magisch Centrum Amsterdam” 2.0 - Zesde lezing op 10 maart in de reeks "God's Rijk op Aarde realiseren - De antroposofische beweging als het Nieuwe Christendom"



Zoals hier aangekondigd  werd op 3 maart in de Grote Zaal van het Ita Wegmanhuis een allereerst begin gemaakt met het herdopen c.q. uitroepen van onze hoofdstad van een “Grijs” tot “Wit Magisch Centrum”, en wel door Robert Jan Kelder (links in beeld), in bijzijn van broer Johannes (rechts) aan de hand  van de 5de voorlezing “Zielsmatige ontwikkelingswegen en geestelijke wegen van het lot in verband met de zaligsprekingen van de Bergrede” uit het werk “Antroposofische beschouwingen over het Nieuwe Testament” van Valentin Tomberg en aan de hand van de grafiek “Ons Kosmisch Systeem” van Willy Conrad (midden in beeld) die in een oogopslag alle geheimen van de wetenschap van de ziel prijsgeeft.

I.

De directe aanleiding van deze herdoop was het feit dat in het derde deel “De kosmische betekenis van de zaligsprekingen van de Bergrede“ van dit 5de hoofdstuk aan de hand van twee zinnen uit het Matteüsevangelie "Gij zijt het zout der Aarde," en "Gij zijt het licht der wereld," het thema “witte magie” en de “witte mensheid”  aangesneden wordt en later in de volgende hoofdstukken daar verder ook op ingegaan wordt (Alle 12 hoofdstukken zijn als werkvertaling hier na te lezen).
            In het tweede deel van dit 5de hoofdstuk “De geestelijke wegen van het lot aan de hand van de laatste drie zaligsprekingen van de Bergrede” bevindt zich tevens  de volgende voetnoot, die mede een motivatie vormt voor het kader waarin deze reeks van 12 lezingen gehouden werden, namelijk “Gods Rijk op aarde realiseren– De antroposofische beweging als het Nieuwe Christendom”.
            Aan deze voetnoot ging een bijlage aan het eind van de 4de hoofdstuk van de onderhavige Beschouwingen door de schrijver vooraf, waarin hij uit Tallinn, de hoofdstad van Estland,  o.a. meedeelt “dat een klein boekje van hem – met de omvang van een ‘Beschouwing’ – over de Grondsteenmeditatie van Rudolf Steiner verschenen is, […] dat bedoeld is als een bijdrage van de auteur aan de Kersttijd van 1936/1937.”
            De voetnoot zelf luidt: “Wie de grondsteenmeditatie van Rudolf Steiner met het bovenstaande vergelijkt, zal kunnen begrijpen, dat vandaag op een geheel andere wijze de laatste drie spreuken van de zaligsprekingen door Rudolf Steiner zijn opgestaan. Want bij deze drie spreuken van de Vader, de Zoon en de Geest gaat het om een opstanding van de drie laatste zaligsprekingen van de Bergrede.”
            Dit klein boekje onder de titel “Enkele resultaten van het werk aan de Grondsteenmeditatie van Rudolf Steiner” werd een jaar later weer vanuit Tallinn uitgebreid met een tweede deel onder de titel ”De Grondsteenmeditatie van Rudolf Steiner als grondslag van levensverdieping” en in 1939 met het derde en laatste deel “De Grondsteenmeditatie van Rudolf Steiner als openbaring van de ware verhouding van mens en natuur”, dit keer uitgegeven vanuit Rotterdam, waar hij zich inmiddels op uitnodiging van antroposofische vrienden voorlopig gevestigd had om zich een jaar later tot 1944 in Amsterdam te vestigen.
            
Spreker maakte bekend, zoals reeds eerder gedaan,  dat mede als gevolg van zijn werkvertaling van dit driedelig werk over de Grondsteenmeditatie van Rudolf Steiner en van die beslissende voetnoot hij mede tot het verdere inzicht is gekomen dat: ten eerste de Grondsteenmeditatie, die Rudolf Steiner t.g.v. de heroprichting van de Antroposofische Vereniging tijdens de Kerstbijeenkomst in 1923 in Dornach, Zwitserland uitgesproken heeft een hernieuwde verkondiging van het door Christus Jezus tijdens het mysterie van Golgotha gestichte Gods Rijk op aarde is, d.w.z. het Rijk van Vrijheid en Liefde van de 10de hiërarchie van de in navolging van Christus  uit de zondeval herrezen  mens;
ten tweede dat het grote beeldhouwwerk van Rudolf Steiner “De Mensheidsrepresentant,  waarin de verzoekerwezens Lucifer (Bijbels gesproken de Duivel) en Ahriman (Satan) door Christus Jezus ten val worden gebracht en vastgeketend worden en dus hun kwaadaardige invloed op de herrezen mensheid verloren hebben, de toegangspoort tot dit Rijk uitbeeldt; dat, ten derde, de 15 statuten die Rudolf Steiner aan de hervormde Antroposofische Vereniging als haar driegelede sociaalorganische constitutie ten grondslag legde het ideële evenbeeld  van dit eveneens driegelede beeldhouwwerk is; dat dus, ten vierde, het realiseren van deze 15 statuten als het nieuw beschavingsprincipe, de sociaalorganica, dat Rudolf Steiner als enige taak aan het centrale bestuur toevertrouwde, de gemeenschappelijke bewustzijnsschaal vormen die de hemelse antroposofische beweging voor haar verzorging op aarde nodig heeft; ten vijfde, dat met de term “antroposofische beweging” Rudolf Steiner  het “Nieuwe Christendom” bedoelde, d.w.z. de  door de huidige tijdsgeest Michaël en de zijnen aan het begin van de 19de eeuw geleide bovenzinnelijke cultus in de geestelijk wereld waar de antroposofie als voorspel voor  de daarvoor voorbestemde antroposofische zielen op weg naar hun incarnatie op aarde werd uitgevoerd; ten zesde dat sinds het verloop van de dramatische, om niet te zeggen rampzalige  geschiedenis van de Antroposofische Vereniging 9 van deze 15 statuten van de Kerstbijeenkomst niet begrepen en buiten werking gesteld zijn geworden; en tenslotte ten zevende, dat, wil het eeuwfeest van de Kerstbijeenkomst in 2023 op een waardige en dus waarachtige manier gevierd worden, zowel in de Algemene Antroposofische Vereniging in Dornach als in de aan haar gelieerde groepen die in vele landen overal ter wereld als nationale antroposofische verenigingen bestaan (zoals ook hier te lande), deze 15 statuten op een eigentijdse wijze eerst hersteld en dan verwezenlijkt dienen te worden!

Dit laatste aan te sporen is de bedoeling van een motie die spreker zei ingediend te hebben aan de komende Algemene Ledenvergadering van de Algemene Antroposofische Vereniging in het weekeind vóór Pasen in Dornach onder de titel “Naar de bevrijding van de Gemengde Koning aan het Goetheanum en het herstel van de Antroposofische Vereniging”, waarvan de oorspronkelijke Duitse versie hier en een Engelse vertaling hier te lezen is.  

Nu terug naar het thema “Herdoop van Amsterdam als Wit Magisch Centrum”:

II.

Dat onze hoofdstad reeds door wijlen provo en rookmagïer  Robert Jasper Grootveld als Magisch Centrum werd uitgeroepen is niet iets geheel nieuws; de recentelijk afgelopen tentoonstelling “Amsterdam Wit Magisch Centrum – Kunst en Tegencultuur 1967-1970” in het Stedelijk Museum heeft, zoals bekend moge zijn, hieraan herinnerd. Bovendien werd er een generatie later nog een schepje bovenop gedaan door  de uitspraak uit de academische koker vanuit de in 1999 opgerichte “Chair for the History of Hermetic Philosophy and Related Currents” van de Faculteit Humanities aan de Universiteit  van Amsterdam, die sinds 2012 nauw samenwerkt met de eerder al door Joost Ritman gestichte en nu in het “Huis van de Hoofden” op de Keizersgracht prachtig gevestigde “Bibliotheca Philosophica Hermetica”, en die op haar website stelt:  The presence of a Hermetic library and a Hermetic Chair make Amsterdam a unique city to pursue the study of Hermetic philosophy and related currents and makes the city stand out as the ‘Hermetic capital of the world’”

Welnu, om dit op verantwoorde wijze te overtreffen moet men wel van zeer goede huize komen, maar dat dit toch in principe mogelijk is, stelde de spreker tijdens zijn inleiding en commentaar op de 5de lezing in het Ita Wegmanhuis. Hij wees er namelijk op dat Amsterdam door Robert Jasper Grootveld weliswaar tot Magisch Centrum werd uitgeroepen, echter niet als Wit maar Grijs centrum, daar de provo’s met hun ludieke en antiautoritaire acties, drugs, seks en rock-en-roll vooral aan het gevoel appelleerde en niet middels een uitgesproken praktisch toekomstideaal de mensheid waarachtig aan het denken heeft gezet, het denken als het enige zielengebied waar immers de mens vrij is, c.q. kan worden.  Er werd dus enerzijds voorgesteld om deze geleidelijk overstap van de grijze naar  de witte, heilige d.w.z.  christelijke magie te maken.

Anderzijds geldt een dergelijke vooruitgang te boeken in principe ook voor de herkroning van Amsterdam, met het devies “heldhaftig, vastberaden en barmhartig” en keizerlijk troon op zijn Wapen,  van “Hermetische Hoofdstad” tot “Christelijke Hermetische Hoofdstad van de Wereld”. Want het hermetisme, dat naast de heilige magie ook de ware mystiek en gnosis omvat en dat, naar verluidt teruggaat op de stichter van het oeroude Egyptische tijdperk Hermes Tresmegistos, werd na het mysterie van Golgotha aan het begin van onze tijdrekening immers verchristelijkt.

Deze metamorfose  is met name recentelijk en vooral tot stand gebracht door het diepgaand, grenzen verleggend  christelijk-hermetisch, antroposofisch  werk van Valentin Tomberg die, uitgenodigd uit Estland, in 1938 naar Rotterdam is gekomen en, zoals gezegd, van 1939 tot 1944 in Amsterdam heeft gewoond en gewerkt, en waar hij aan het begin van de bezetting voor een kleine select gezelschap  in het geheim tot 1943 zijn zog. “Onze Vader cursus” heeft gehouden ((in vier delen in het Duits en Engels verkrijgbaar).

In de inleiding en commentaar verleden zondagmiddag werden in dit verband de zinnen uitgesproken die de Nederlands cultuurfilosoof Harrie Salman in zijn bijdrage “Die Wirkung von Valentin Tombergs Tätigkeit und seinen Schriften in den Niederlanden” aan het boek “Valentin Tomberg / Leben – Werk – Wirkung” Band III (Novalis Verlag, 2016) heeft geschreven en die ook reeds op dit blog “Het Nieuwe Christendom” (hier in mijn vertaling) te lezen waren : “In de 30ste week van de ‘Onze Vader cursus’ vergeleek Tomberg Holland en zijn rivierendelta met de Nijldelta in Egypte. Holland zou de opgave hebben om polariteiten te verbinden (bv. kennis en openbaring, vrijheid en autoriteit, traditie en vooruitgang). Amsterdam zou in dit beeld het nieuwe Alexandrië zijn. Hier diende de geestelijke traditie van Egypte zich verder te ontwikkelen. Valentin Tomberg was vijf jaar in Amsterdam actief [o.m. in het verzet om neergeschoten Engelse piloten terug naar Engeland te loodsen]. Zijn activiteit was nog niet expliciet met de [christelijke] vernieuwing van het Hermetisme verbonden.”

Tevens werd tijdens de inleiding een passage ten gehore gebracht uit het tweedelige verweerschrift van wijlen Willy Seiss, de oprichter van het Duitse Achamoth Verlag  en redacteur van o.m. de oorspronkelijk door Tomberg in het Duits geschreven beschouwingen over het Nieuwe Testament, een schotschrift dat hij (Seiss) geschreven heeft om perfide en volkomen onterechte aantijgingen tegen de geesteswetenschappelijk onderzochte christosofie van Valentin Tomberg te weerleggen en om een aanduiding te geven wie deze Tomberg nu eigenlijk was: "Wie, dat is de vraag, is deze Tomberg die met gewichtige uitspraken in de openbaarheid en voor de kerken, de Rooms-katholieke alsook de Oosterse Kerken treedt? Wat zou hem ertoe aanleiding geven om aan deze instituties de “dimensie der diepgang” – door opname van de door de Christusimpuls vernieuwde Hermetische traditie – toe te voegen?  
            Nu was deze Hermetische bron er lang voor de tijd van de kerkelijke institutionaliseringen, dus lang voor de tijd van de geboorte van Christus, zoals ook de kerkelijke kringen bekend is dat haar sacramenten daarvan, van de oude mysteriën van Egypte, zijn overgenomen.  Ook de Christengemeenschap leeft van deze bron van Hermes Tresmegistos die Tomberg in lang vervlogen tijden als leerling van Zarathoestra was. Zou Tombergs opgave daarin gelegen hebben om die diepe, oeroude traditie met het christendom of deze met het Hermetisme nieuw, tot levende traditie, te verbinden?” (Dit verweerschrift “Der Kampf gegen Valentin Tomberg und seine geisteswissenschaftlich erforschte Christosophie – Dokumentiert an Hand des Briefwechsel zwischen Valentin Tomberg und Marie Steiner -  Teil B Briefwechsel – Ein Beitrag zur Klärung der Zusammenhänge“ werd in 1999 door het  Achamoth Verlag Schönach gepubliceerd en is alleen aldaar verkrijgbaar.) 

Deze opvatting en meer werd hier te lande in 2017 tot uitdrukking gebracht in de uitnodiging tot het bijwonen van een dat jaar  door het Achamoth Verlag in Soesterberg georganiseerde bijeenkomst onder de titel “Het hermetische werk van Valentin Tomberg in samenhang met de geesteswetenschap van Rudolf Steiner” t.g.v. een boekpresentatie van  deel 1 van de 22 Meditaties op de Grote Arcana van de Taro – Hermetisme en Christendom, een verkenningstocht van Valentin Tomberg in de vertaling van Maria Schokking-Dufour door de Uitgeverij Nearchus (waarvan ook deel II intussen is uitgekomen en deel III binnenkort zal verschijnen). 

In deze uitnodiging schrijft het Achamoth-team het volgende:  “Zeer vereerde vrienden en geïnteresseerden in het antroposofische en hermetische werk van Rudolf Steiner en Valentin Tomberg.  Zoals U weet, is het levenswerk van Rudolf Steiner, de antroposofie, een ‘wederopstanding van de Egyptische Mysteriën’, zoals Rudolf Steiner herhaaldelijk zelf heeft gezegd.  Wie was nu de grondlegger van deze Egyptische mysteriën? Dat was Hermes, die het astraallichaam van de grote Zarathustra erfde en sindsdien dit astraallichaam draagt, of anders gezegd, in bewaring heeft gekregen. Deze individualiteit was bijna iedere eeuw geïncarneerd, want hij is de toekomstige Bodhisattva Maitreya, die eens ‘het Goede’ zal brengen. - Deze individualiteit leefde ook in Valentin Tomberg van wie bekend is, toen men bij hem aandrong de vraag te beantwoorden of HIJ de Bodhisattva was: ‘Vraagt U mij liever wie ik was in de Egyptische tijd!’ Toen de vragensteller tot driemaal toe vasthield aan de vraag naar de identiteit van de Bodhisattva, zei Tomberg in alle rust: ‘Hermes, ik was Hermes ten tijde van de Egyptische cultuurperiode.’ Immers, niemand zal direct van zichzelf zeggen dat HIJ de Bodhisattva is.”

Nu behoeven deze vrij programmatische verwijzingen naar de identificatie van Hermes Tresmegistos met Valentin Tomberg en diens relatie met de Maitreya Bodhisattva als de toekomstige opvolger van de  Guatama Buddha natuurlijk een gedegen geesteswetenschappelijk onderbouwing, die hier (nog) niet gegeven kan worden en blijven deze door velen betwijfelde en zelfs fel bestreden identificaties om te beginnen dus niets meer dan uiterst gewaagde zo niet onmogelijke  stellingen.

Spreker verdedigde deze door o.m. enkele passages voor te lezen uit Tombergs boek Meditaties op de Grote Arcana, met name uit het derde Arcanum dat aan het begin (op blz. 84) de drie soorten magie optekent: “De magie waar de magiër het instrument is van de goddelijke macht; dat is de heilige [of witte] magie. De magie waar de magiër zelf de bron is van de magische handeling is: dat is de persoonlijke [of grijze] magie. De magie, tenslotte, waar de magiër het instrument is van de natuurkrachten of andere onbewuste krachten, en dat is tovenarij [of zwarte magie].”
         
Na het begrip van deze drie soorten magie iets verder ontwikkeld te hebben en vervolgens voorbeelden van de praktijk van de heilige magie uit o.m. het Nieuwe Testament (Lucas 7:21,22) gegeven te hebben, citeerde spreker een passage uit het einde (op blz. 115,116) van deze derde van de 22 “Brieven aan de onbekende lieve vriend” van de “Anonieme schrijver van gene zijde van het graf”(zoals het voorwoord van de oorspronkelijk Frans uitgave werd ondertekend dat volgens de wens van de schrijver pas na zijn dood in 1973 uitgebracht zou c.q. had moeten worden): “Het derde Arcanum van de Tarot is het Arcanum van de heilige magie en daardoor het Arcanum van de voortbrenging. Heilige magie is de verbinding van twee wilskrachten, de menselijke en de goddelijke, waarvan een wonder het resultaat is. De voortbrenging zelf veronderstelt ook de drie-eenheid van de verwekker, het voortbrengende en het voortgebrachte zelf. Het voortgebrachte is het wonder dat het resultaat is van de verbinding van een verwekkend en een voortbrengend principe. Of het nu gaat om een nieuw idee, de geboorte van een kind of wat dan ook, dezelfde wet van voortbrenging is altijd werkzaam, het is altijd hetzelfde Arcanum – at van de vruchtbaarheid – dat in het spel is en het altijd hetzelfde mysterie van de vleeswording van het Woord dat er het Goddelijke prototype van is.”     

Spreker eindigde zijn herdoop van onze keizerlijke hoofdstad van een grijs tot wit magisch centrum van de wereld door te benadrukken dat dit nieuwgeboren, voortgebrachte schepsel slecht een allereerste aanzet was en dat het voortgezet zal worden op 10 maart  aan de hand van de 6de voorlezing “Het Onze Vader als een weg tot de lotsverbinding met God De Vader” en van de daarop volgende 6 voorlezingen tot de 12de  “Het Pinkstergebeurtenis” op 2 juni en daarna van de 3 voorlezingen van de “Geesteswetenschappelijke beschouwingen over de Apocalyps van Johannes” en de 12 “Antroposofische Beschouwingen over het Oude Testament”, waarmee dus alle 25 hoofdstukken uit dit majestueus werk niet alleen beschikbaar online of wellicht in druk, maar ook in de aura van onze hoofdstad uitgesproken zullen zijn.

Zoals bij de vorige lezingen zal deze 6de lezing ook begeleid worden door een deeltentoonstelling van “De Deugden – Krachten van het Nieuwe Christendom” bestaande uit de tekst van de maandmeditatie van maart “Grootmoedigheid wordt tot liefde” geschreven door de Duitse filosoof-antroposoof Herbert Witzenmann, uit de verluchting van de Nederlandse kunstschilder Jan de Kok en uit de poster voor de tentoonstelling van “De Deugden – Op naar een nieuwe hoffelijkheid” in het Amsterdamse stadhuis in 2013. Spreker wees erop dat door zijn vertaling van dit werk, dat teruggaat op aanwijzingen van Madame Blavatsky en Rudolf Steiner, hij de indruk heeft gekregen dat Herbert Witzenmann de omgangsvormen van De Deugden als de Geesten van de Beweging, Dynamis of Krachten in het middelste koor van de hemelse hiërarchieën heeft afgeluisterd, in begrippen gegoten en op papier heeft weten te zetten, en dat door maandelijks te mediteren op zijn diepgaande filosofisch-antroposofische teksten de lezers zich geleidelijk een weg kunnen banen tot het realiseren Gods Rijk op Aarde.

III.

Nadat het pasgeborene op deze manier gedoopt zal zijn kan, aan de hand van de andere in het Nederlands reeds beschikbare antroposofische werken van Valentin Tomberg,  zoals zijn lezingen in Rotterdam in 1938 “Innerlijke ontwikkeling en de Christelijke Rozenkruizersweg” en die van een jaar later daar gehouden “De vier offers van Christus en Zijn wederkomst in de etherische wereld”, zijn latere explicit christelijk-hermetische werken ter verdieping van de katholieke en orthodoxe dogma’s, zoals de “Meditaties op de Grote Arcana van de Tarot” en de grote hoeveelheid secondaire werken in het Duits, zoals de vierdelige biografie van o.a. E. Heckman en M. Frensch “Valentin Tomberg – Leben – Werk- Wirkung”, hopelijk met behulp van de “Chair for the History of Hermetic Philosophy” aan de UvA  i.s.m. de Bibliotheca Philosophica Hermetica, de Nederlands afdeling van het Goetheamum, Vrije Hogeschool voor Geesteswetenschappen en esoterisch-christelijke vrijdenkers, een immanent-kritische discussie op touw gezet worden om tot een gegrond oordeel te komen  of de herdoop van Amsterdam van grijs tot wit magisch centrum of zelf tot christelijk hermetisch hoofdstad van de wereld op los zand gebouwd en een luchtkasteel is,  dan wel dat de onderbouwing van deze herdoop zulke diepe heipalen in haar zachte ondergrond heeft geboord c.q. nog zal boren dat het een solide fundering vormt voor haar verdere ontwikkeling tot een “Stad op de berg”,  zichtbaar en stralend voor alle ogen van de wereld, waar het voorchristelijke hermetische credo van “wat is boven, is als wat is beneden” nu  op een christelijk-hermetische wijze zijn weerslag vindt.

Om deze ontwikkeling kracht bij te zetten zal bij  de volgende 6de lezing het  voornemen aangekondigd worden om samen met schrijver en uitgever Ewout Storm van Leeuwen e.a., geïnspireerd door een passage uit de onderhavige Beschouwingen,  een nieuw tijdschrift met de titel “De Godsvriend – Orgaan van de Willehalm Ridderorde van het Woord (i.o.)” in het leven te roepen.

Toegang is weer gratis, wel is een vrije bijdrage van ± 10 Euro gewenst. Voor koffie en tee voor deze door sommige als marathon ondervonden voorlezingen wordt gezorgd bij de inloop en in de minstens drie pauzes die ingelast zullen worden. Enige voorbereiding ter versterking van het geestelijke uithoudingsvermogen is daarom aanbevolen.

* * * 

Info: Robert Jan Kelder, 
Willehalm Stichting
Kerkstraat 386A, 1017 JB Amsterdam
info@willehalm.nl; Tel. 020-6944572; 06-23559564